I do writing

&

Sinaasappels

Hij glimlacht; het zijn oude lippen met een jeugdige twinkeling.

Hij vertelt: ‘we stapten uit de bus, zij droeg mijn koffer. We liepen de markt op en net toen ik de geur van geroosterde kip opsnoof en dacht dat we samen hier zouden lunchen, duwde ze de koffer in mijn handen, draaide zich om en liep weg. Ze zwaaide niet eens.’ Zijn rimpelige lippen vertrekken even als een soort schouderophalen.

‘En toen?’ vraag ik hem.

Hij kijkt me een beetje meewarig aan. ‘En toen niets. Geen opgestoken hand, geen knuffel. Ik sliep die nacht op de markt en ik heb haar nooit meer gezien.’

We staren naar onze voeten die schuiven over het rode aangestampte zand. De kippen scharrelen om ons heen terwijl twee oude vrouwen rondschuifelen op weg naar het voorbereiden van de lunch dat meestal niet meer is dan wat rijst met tomaten en ui.

‘Maar neem je het haar dan niet kwalijk?’ vraag ik hem.

De oude man schudt zijn hoofd. ‘Ze was ongetrouwd en had de zorg over haar twee kinderen en de twee van haar oudere zus, die is een paar jaar daarvoor overleden. Ik was gewoon een mond teveel om te voeden. Niemand heeft het makkelijk in dit land,’ antwoordt hij schouderophalend.

Toch bespeur ik een bitterheid in zijn ogen, dat zich verstopt achter de witte staar die als een nevel over zijn donkere pupillen glijdt.

Ik voel me ongemakkelijk. Mijn doorvoede lichaam schuift onrustig over de houten zitting van de stoel en de spijkerbroek plakt aan mijn benen. Had ik maar een korte broek aangetrokken. Maar alleen buitenlanders dragen korte broeken in de brandende zon en klamme wind die door de stoffige straten danst. Ik voel me misplaatst hier aan de andere kant van de wereld; mijn jeugdigheid steekt schril af tegen de ruimzittende spijkerblouse en lange teennagels van de oude man naast me.

‘Toch geloof ik niet dat u al 97 jaar bent.’ merk ik op in een poging onze trieste gedachten te verdrijven.

De nevels stijgen op uit zijn ogen en hij grijnst jongensachtig. ‘Nou moet je niet tegen me liegen meisje. Ik heb dan geen spiegel maar ik kijk elke dag naar mijn gerimpelde handen,’ lacht hij, zijn bruine handen uitstekend.

Ik sla op zijn linkerhand als een neerwaartse high five en ik lach opgelucht met hem mee. Samen drinken we een glas chicha, een soort witte pap, dat zich achter in mijn keel ophoopt en hij praat honderduit tegen me over de veranderingen die hij in het land heeft zien gebeuren. Ik heb sinaasappels op de markt gekocht en hij zuigt ze met smaak uit.

´Ik eet niet zo vaak fruit,´ legt hij uit en gaat verder met zijn verhalen.

Hij is mijn lens waardoor ik het onbekende land kan bekijken, terwijl hij inzoomt op anekdotes uit zijn leven.

‘Luister, vroeger trouwden meisjes nog op een respectabele leeftijd en kregen dan kinderen. Nu zijn het kinderen die kinderen opvoeden, dios mio!’

´Vroeger hadden we niets nodig om te spelen. We renden rondjes in het dorp, meer niet. Nu zijn kinderen zo snel verveeld.´

Het zijn flarden, woorden uit een ver verleden toen iedereen nog arm was en het dus minder opviel.

Ik verlaat het huis waar hij samenwoont met andere oudjes. Een huis gegeven door de regering aan ouderen die geen kinderen hebben om voor ze te zorgen. Of die door hun kinderen zijn achterlaten op de markt. Maar de oudjes krijgen er niets bij. Ze moeten hun levensbehoeften bij elkaar scharrelen, leunend op de vrijgevigheid van anderen. Ik loop terug over de markt naar huis. Hier eten de vrouwen ‘s ochtends om elf uur rijst met kip en yuca, zittend op een krukje of op de grond naast de zakken rijst, aardappels en de grootste meloenen die ik ooit heb gezien. Op deze markt sliep mijn oude vriend, achtergelaten door zijn dochter, op de vleesafdeling waar geplukte kippen op hun kop hangen en lappen koeiendijen zacht zuchten in de warmte.