I do writing

&

Niets om op te toasten

Het weer past niet bij mijn humeur, zoals het leven eigenlijk altijd een beetje tegenzit. De zon

schijnt en ze wil graag op het terras zitten.

‘Ik zit liever binnen,’ antwoord ik.

Ze zucht geërgerd en onbedoeld bewijs ik haar weer dat ze de juiste keus heeft gemaakt. Deze ontmoeting is slechts het laatste obstakel tot een gelukkige toekomst voor haar. We gaan zitten aan een tafeltje bij het raam. Zij kijkt verlangend naar buiten terwijl ik haar handen probeer vast te pakken.

‘Niet doen,’ zegt ze en legt haar handen in haar schoot.

‘Wil je iets drinken?’

Ze schudt haar hoofd en zegt: ‘geef me de sleutels. Dan kunnen we allebei verder met ons leven.’

‘Waarom wil je ze zo graag terug? Denk je soms dat ik ze zal gebruiken om  binnen te komen als jij met je nieuwe vriend seks hebt op de bank?’ vraag ik en ik hoor de jengelende toon van mijn stem. Ik ril bij de gedachte maar zij lacht schamper tegen haar eigen spiegelbeeld in het glas.

‘Precies, daarom. Natuurlijk zou jij zoiets bedenken,’ antwoordt ze sarcastisch.

‘Wil je geen extra sleutels bij een vriend achterlaten voor het geval je ze een keer kwijt raakt?’ probeer ik dan.

‘Je bent mijn vriend niet meer,’ merkt ze geïrriteerd op. Ik vind haar mooi als ze boos is. Zou ze mij mooi vinden als ik boos ben? Waarschijnlijk niet meer.

Ze steekt haar hand nu gebiedend naar mij uit. Haar handen hebben mij veel aangeraakt door de jaren heen: gestreeld, gekieteld en geknepen op plekken waren alleen geliefden komen. Nu maken haar handen nog deel uit van mijn realiteit; ik ken elk lijntje van haar palm, elke moedervlek en elk litteken. Maar over een tijdje zal dat veranderen zoals dat zal gaan met alles aan haar. Ze zullen stoppen een deel van mijn lichaam te zijn en zullen vreemde handen worden. Misschien worden ze zelfs wel lelijk zoals kale takken er in de winter uitzien als ze allang de glans van het groen verloren zijn. Erger nog, over een tijdje zullen haar handen vertrouwd zijn met een nieuw paar handen.

Ze kijkt mij voor het eerst recht aan. Het azuurblauw van haar ogen, wat mij ooit deed denken aan tropische zeeën waar ik mij als in een warm bad in liet glijden, is nu veranderd in staalblauw. Ik haal de sleutels uit mijn zak en laat ze tussen mijn vingers door glijden. Ik houd ze als een belofte omhoog voor haar ogen en dan stop ik ze terug in mijn zak.

‘Blijf nog even. één drankje als afscheid. Eentje maar,’ smeek ik haar en ik weet dat de bedelende toon werkt bij haar. Toen we elkaar net leerden kennen dacht ze dat ze me redde zoals je dat doet met een verloren zwerfkatje. Ze voelt zich nu verraden maar ik zou elke rol gespeeld hebben om haar te veroveren. Dat is echte liefde en dat snapt zij maar niet.

Het staalblauw van haar ogen blijft staalblauw maar toch zegt ze dan: ‘een witte wijn.’  

Ik wenk de ober en bestel een biertje en een witte wijn. Ze staart weer uit het raam en lijkt te hopen dat ik en het hele café zullen oplossen in de zomerse zon. Ik geef haar de huissleutels als zoenoffer. Ze voelt zich toch verplicht te wachten op de wijn en wendt haar blik van het raam af.

‘Herinner je je dat terrasje in Barcelona nog? Op dat plein, hoe heette het ook alweer?’ vraag ik haar.

‘Placa Reial,’ antwoordt ze.

‘Ja, Placa Reial. We hebben daar toen op onze eerste dag sangria gedronken en we zaten in dat hotelletje daar vlakbij toch? Jij rook naar wijn, zonnebrand en zweet en we hebben wel een uur liggen vrijen. Je huid was nog zo wit als melk. Toen was je was gelukkig toch?.’

Ze lacht weer schamper. ‘Gelukkig? Je had teveel sangria gedronken en na de seks werd je boos omdat onze kleren overal op de grond lagen.’

‘Ik houd niet van rommel,’ zeg ik verontschuldigend.

‘Weet je nog hoe we elkaar voor het eerst ontmoetten?’ vraag ik dan in een nieuwe poging om de ijzige stilte op te vullen. Ik weet niet waar ik mee bezig ben. Haar vasthouden met woorden is het enige wat ik kan bedenken.  

‘Denk je dat door herinneringen op te halen ik weer bij je terug zal komen? Ik heb genoeg slechte herinneringen aan ons die ik niet wil oprakelen,’ zegt ze en ik hoor de bitterheid in haar stem. Ik wil niet dat ze bitter is, dat was ze nooit.

‘We moeten het toch afsluiten? Herinner je je ook de goede momenten?’ vraag ik haar bijna wanhopig.  

Ze zucht langgerekt alsof ze naar een klein kind zit te luisteren die haar verveelt maar haar gezicht lijkt toch een beetje te verzachten, een kind beledig je nou eenmaal niet. ‘Tuurlijk herinner ik mij die. Maar het zijn meer de kleine momenten; hoe we ’s avonds altijd in slaap vielen met onze voetzolen tegen elkaar alsof we elkaar maar niet los konden laten. Soms omhelsde je me midden in de nacht en fluisterde je nog dromend in mijn oren dat je van me hield.’

Ik veer op bij haar woorden en ik glimlach om de herinneringen die over onze gezichten glijden. Maar dan twijfel ik weer. Zou ze me dit alleen vertellen om van mij af te zijn? Probeert ze me tevreden te houden om problemen te voorkomen? Ze weet hoe ik kan zijn als ik me beledigt voel. Ze glimlacht nu naar me en ik zie de lijntjes rondom haar mond. Wanneer zijn we oud geworden?

De ober brengt onze bestelling en we nippen zonder te toasten aan onze drankjes. Er is niets om op te toasten en ik voel de afgrond waar ik naast sta.

‘Zullen we elkaar ooit nog zien?’ vraag ik haar. Ze staart een paar seconden naar mij.

Misschien durft ze het niet te zeggen maar dan verzamelt ze toch de moed en antwoordt: ‘nee, dat denk ik niet.’

Ze legt niets uit. Ze kiest altijd haar woorden zorgvuldig uit en laat zich nooit verleiden teveel te zeggen. Ze is als een stille rots in de branding die gelaten de beukende zee tegen haar aan laat kletsen. Je weet nooit wanneer ze besluit dat het genoeg is. Ik had in ieder geval geen idee.

Maar misschien zegt ze van niet omdat haar nieuwe vriend niet wilt dat we elkaar nog zien. Zou hij bang zijn dat ze nog gevoelens voor mij heeft? Misschien heeft hij daar wel gelijk in. Misschien ontdekken we nog een laatste na smeulende vlam tussen ons. Haar telefoon gaat af en ik zie de foto oplichten van haar en mijn vervanger, hij heeft mijn plaats op het scherm ingenomen. Controleert hij haar, vraagt hij zich af waarom zij zo lang met haar ex weg is? Maar dan zie ik haar gezicht oplichten zoals dat ooit gebeurde wanneer ze naar mij keek. Ze kijkt mij aan en legt, nu eindelijk niet meer bang, haar hand op mijn arm. ‘Doei Jochem, het ga je goed.’  ‘Doei Jasmin.’