I do writing

&

Ik wil vergeten

GEDACHTEN

 

Dolend door mijn wereld,

als vervagende irritaties,

als verre dagdromen,

verdwijnend in het lentelicht;

Een gedachte ont-denken

gaat niet.

 

Hersenspinsels

vormen en ont-vormen

maar verdwijnen nooit.

Kleine deeltjes

in het stof

dwarrelen rond.

 

Hoe bevrijd ik mezelf

van het onzichtbare

dat me achtervolgt?

Hoe ont-denk ik de gedachte

die mij bezit?

De woorden die ik niet wil bezitten

zijn opgetekend in mijn brein.

Als niet-aflatend gezoem

van muggen

verdwijn jij maar niet

 

PROLOOG

 

Lieverd,

 

Zoveel gedachten dwarrelen rond in mijn hoofd als kleine stofdeeltjes in het licht. Of nee, ik heb ergens gelezen dat dat helemaal geen stof is maar juist het licht of zoiets. Maar goed dat moet ik nog eens nalezen. Ik probeer het nog een keer:

zoveel gedachten dwarrelen rond in mijn hoofd maar ik weet niet welke ik moet opschrijven. Hoe weet ik welke gedachte oprecht en puur is, niet beïnvloed door egoïsme of dramatische ingevingen? Hoe weet ik wat hersenspinsels zijn en wat oprechte gevoelens? Daar ben ik nog niet over uit.

 

Dus waar begin ik? Hoe kan ik het je uitleggen? Hoe kan ik je vertellen het waarom en het hoe ik tot deze keuze ben gekomen als ik zelf nog niet de precieze keten van oorzaak en gevolg heb ontdekt? Hoe weten we überhaupt in het leven welke factoren ons beïnvloeden en welke niet. We denken zo vaak dat we zijn wie we zijn en de dromen hebben die we hebben door bepaalde ervaringen opvoeding en principes.

Maar wat nou als dat niet zo is? Wat nou als het een toevallige ontmoeting op straat is, een gesprek met iemand of een goed gerecht die ons van gedachten doet veranderen?

Ik weet het niet lieverd, ik weet het echt niet. Ik moet bekennen dat de laatste tijd mijn brein overloopt van gedachten en dat ik soms in de war ben. Soms vergeet ik wanneer iets echt of niet is.

Ik vind de grens tussen illusie en realiteit sowieso moeilijk vast te stellen, altijd al gevonden trouwens. De gedachte heeft mij altijd geïntrigeerd: wat nou als de realiteit de eigenlijke droom is en de droom de realiteit? Maar het grappige is dat het eventuele antwoord niet uitmaakt; we leven toch gewoon ons leven of het nou echt is of niet. We hebben geen keus.

Misschien dat daarom de meeste mensen zich dit niet afvragen en bevind ik mij in de situatie zoals die is doordat ik dat wel doe. Soms lijkt het alledaagse leven van opstaan, werken en slapen de enige remedie tegen niet gek worden. Want zo gauw je erover na begint te denken wordt alles troebel als het water van een stilstaande sloot dat zich langzaam om mij heen sluit en waar geen weg naar boven is, alleen maar verder naar beneden waar het onbekende zich bevindt dat zo angstaanjagend is. En toch denk ik dan dat de enige weg hieruit is om verder naar beneden te gaan. Om dat troebele water mij te laten omsluiten en mijn longen binnen te laten dringen. Omdat ergens diep daaronder het antwoord wacht waarvan ik mij nu niet kan voorstellen dat het bestaat. Is dat een gekke gedachte? Misschien wel maar misschien ook niet en daar zit hem de crux. Doorleven of uitvinden wat zich daar bevindt in die donkere modder van de sloot dat is de vraag die mij consumeert en mijn leven beheerst. Hoe maak ik die keus?

 

I

 

Ik loop het flatgebouw binnen. De zwarte leren tas drukt op mijn schouder en de strakke zwarte kokerrok zit een beetje te strak om mijn dijen, het bemoeilijkt het lopen op de hoge zwarte pumps. Het gebouw is minstens negentien verdiepingen hoog en bestaat alleen maar uit glas. Ik hoef niet aan de receptie te vragen waar het bedrijf is dat ik naar op zoek ben, ik kent dit gebouw al. De liften zijn achter de receptie, twee naast elkaar. Ik stap de lift in, het is nog vroeg in de ochtend en het lijkt erop dat ik een van de eersten in het gebouw ben. Ik druk op de knop van de 19de verdieping en wacht totdat de deuren sluiten. Terwijl de lift ongemerkt omhoog klimt draai ik me om en kijk naar mezelf in de spiegel. Korte donkere krullen die een rond gezicht omhullen. Het is een onopvallend gezicht, behalve de ogen: die zijn smaragdgroen en staren vurig naar mezelf. Ik glimlach even maar zie dan de angst in mijn ogen voordat ik weet wat er precies aan de hand is; de lift hapert en schudt even heen en weer. Ik kijk omhoog naar het scherm van de lift. Het geeft aan dat ze er bijna is, op de zeventiende verdieping nu. Dan gebeurt het: de lift maakt een verschrikkelijk kabaal, stopt één lange seconde even helemaal en begint dan te vallen. Geschrokken hap ik naar adem en houdt me vast aan de balustrade voor de spiegel. Mijn groene ogen kijken naar de doodsangst van mijn spiegelbeeld. Ik voel de bodem van de lift kraken en dan helemaal wegvallen. Mijn spiegelbeeld verdwijnt en terwijl ik val, voel ik dat de lift stopt. Even hoor ik alleen mijn eigen gehijg terwijl mijn handen zich vastklinken aan de balustrade. Ver weg onder mij hoor ik de bodem van de lift neerkomen. Mijn handen zweten van de paniek die langzaam mijn hele lijf overneemt. Hoe lang houd ik dit vol? Mijn handen veranderen in een weke massa die niets meer onder zich dulden en dan de balustrade los laten. De schreeuw komt vanuit mijn tenen terwijl ik in het verzwelgende zwart val en val.

 

Mijn ogen vliegen open en luid ademend grijp ik om me heen in de lakens die om me heen gedraaid zijn. Gelukkig voel ik het matras onder me.

‘Gaat het wel?’ hoor ik naast  me mompelen. Rob slaat zijn armen om mij heen en ik voel zijn geruststellende lijf tegen mij aan.

‘Ja ja, het gaat wel,’ antwoord ik nog steeds hijgend.

‘Weer een nachtmerrie?’

Ik knik in het donker van de slaapkamer. ‘Ga maar weer slapen.’

Maar hij snurkt al weer verder. Niets is zo eenzaam als de lange donkere nacht die eeuwig duurt.

 

De ochtend is flets en grijs en op de automatische piloot maak ik ontbijt en breng de kinderen naar school. In het voorbijgaan zoen ik Rob op zijn wang.

´Tot vanavond,´ mompel ik tegen hem.

Maar Rob merkt mijn humeur al lang niet meer op; na jaren van samen zijn weet hij dat voor mij de zon niet opkomt tot halverwege de ochtend. Het is mijn vrije dag en ik doe boodschappen en ruim het huis op. Dan doe ik wat altijd onvermijdelijk lijkt en voelt als een geheim ziekelijk verlangen naar lijden; ik ga mijn werkkamer binnen en staar naar de muren ervan. Ooit was het de bedoeling dat ik hier mijn dromen zou waarmaken als illustrator van kinderboeken. Nu is het de kamer van schaamte geworden en de verbergt het mijn diepste geheimen. Ik doe wat ik altijd doe; ik haal mijn schetsboek uit de lade en begin de droom van vannacht uit te tekenen. Ik weet dat het nergens op slaat maar zoals altijd kan ik de gedachte niet stoppen dat als ik minimaal tien keer dezelfde droom heb getekend hij niet meer bestaat. Als ik klaar ben en op mijn horloge kijk moet ik haasten. Maar ik vergeet nooit de deur achter mij op slot te doen, ik durf niet te denken aan wat Rob zou zeggen als hij het zag.

 

Het is een zonnige dag en ik leun tegen het hek terwijl ik op mijn kinderen wacht. Het is een heerlijk moment. Vijf minuten lang ben ik even geen moeder en gewoon mezelf. Even hoef ik niet na te denken over wat hierna komt of wat ervoor gebeurd is. Even zweef ik tussen de wolken en laaf ik mij aan de zon, gewoon als mezelf. Ik sluit mijn ogen en glimlach totdat ik de bel van de school hoor en langzaam het kinderlawaai aanzwelt. Het opgewonden gepraat, gelach, geschreeuw en soms gehuil komt op me afgestormd.

‘Daar zijn jullie! Hoe was het?’ roep ik naar mijn kinderen die blij het schoolplein over rennen en mij omarmen.

In de auto luister ik met één oor naar hun vrolijk gekwetter.  Maar ik hoor ook nog iets anders op de achtergrond, of in mijn hoofd, daar ben ik niet helemaal zeker van. Geschreeuw en gegil van een vrouw. Een man schreeuwt, hij lijkt dronken. Ik hoor een kind hysterisch huilen. Ik kijk even achterom om me ervan te verzekeren dat het zich niet afspeelt op de achterbank. Toch hoor ik het nog, het zwelt zelfs aan. Verward staar ik naar de weg voor me. We rijden door de polder over een landweggetje omsloten door weilanden en sloten.

Het geschreeuw zwelt nog meer aan en overstemt mijn kinderen, zo kan ik mij niet concentreren op de weg.

‘Sssttt, houdt op,’ zeg ik tegen niemand in het bijzonder.

Ik besluit te stoppen aan de kant van de weg maar het onbestemde geschreeuw houdt niet op en lijkt alleen maar harder te worden. Ik stap uit de auto en kijk uit over de polder. Wie schreeuwt er toch zo?

 

II

 

Het oerwoud is stil en tegelijkertijd vol lawaai. Ik hoor de vogels, de insecten en de warme wind die samen een prachtige muziek leveren. Buiten mijn eigen voetstappen die kraken op het pad van aangestampte bladeren, hoor ik geen enkel menselijk geluid. Ik geniet en het voelt even alsof ik op vakantie ben op een tropisch eiland. Wat zou dat heerlijk zijn. Misschien zouden Rob en ik een reis kunnen boeken, met zijn tweeen. Even weg zijn van de dagelijkse beslommeringen, de kinderen zouden vast bij Rob´s ouders kunnen logeren voor een weekje. En het hoeft niet ver te zijn, het zwarte woud in Duitsland zou al een verademing zijn van ons drukke leven in een nieuwbouwwijk. Ik geniet van de schaduw onder de hoge bomen en ik vind het zelfs lekker om het zweet te voelen op mijn lichaam; hoe het langzaam vanuit mijn haren, via mijn nek op mijn rug druppelt. Ik let even niet op waar ik loop als ik omhoog kijk en het zonlicht zie dwarrelen door het bladerdek. Dan voel ik hoe mijn voet zich omhoog tilt voor de volgende stap en vervolgens zich neerzet in het niets, in de lucht. Ik struikel en begin te vallen. De jungle en het zonlicht verdwijnen en ik val in een donker hol, dat zich blijkbaar midden op het pad bevond. Zou het een dierenval zijn ofzo? Ik kom hard terecht op harde aangestampte aarde en schreeuw het even uit van pijn als mijn knie hard neerkomt op de grond en ik mijn handen schaaf aan de aarde om mijn val te breken.

Het is pikdonker en ik zie mijn eigen handen die voor zich uit tasten in het duister niet eens. Ik zoek de grond af om een weg hieruit te vinden. Dan grijp ik ineens in iets wat beweegt en leeft en glibberig is maar tegelijk ruw. Ik schrik maar voel het glijden over mijn handen en zich rond mijn benen kronkelen. Ik probeer het van mij af te schudden en schuif weg van de plek. Maar het is te laat en ik voel hetzelfde glibberige en ruwe overal om me heen. Het zijn slangen, schiet het door mij heen. Ik ben in een slangenkuil gevallen! De slangen kronkelen zich over mijn hele lichaam en ik val achterover terwijl eentje zich langzaam om mijn nek heen draait. Ik wil gillen maar het lukt al niet meer omdat de slang zich steeds strakker om mijn keel heen draait. De paniek is wit en overweldigend, ik schop en sla en kan alleen maar gorgelen van paniek maar ze zijn overal en draaien om mijn ledematen, langzaam en zonder haast. Om zich voor te bereiden op mijn dood.

 

De muren zijn wit, te wit. Soms denk ik even dat ik thuis ben maar dan zie ik al dat wit en weet ik wel beter. Welke gek zou zijn slaapkamer nou compleet wit verven? Ik niet. Mijn slaapkamer heeft een donkerrode muur. De rest is geverfd in aardetinten alles verlicht met zacht geel licht. Ik weet het één en ander af van decoreren, dat kan je aan mijn slaapkamer zien. Daarom zit dat wit mij hier ook zo dwars. Het lijkt de anderen niet zo op te vallen. Ik heb het zelfs een paar gevraagd maar die haalden hun schouders op. Snappen ze dan niet dat kleur onze gemoedsrust beïnvloed? Fel rood voor passie, zachtgeel voor meditatie en rust, groen voor een frisse start en zeeblauw om weg te dromen en ga zo maar door. Dat is toch algemene kennis?

Het wit is niet het enige wat me hier niet bevalt. Het zijn ook de lange kronkelende gangen die mij elke keer weer verwarren als ik mijn kamer zoek of de tuin. De lange witte gangen ademen eenzaamheid uit of hopeloosheid en het beangstigd me. Ik voel me al depressief genoeg, ik heb daarvoor niet ook nog een deprimerend gebouw nodig. Het enige goede aan dit gebouw zijn de pillen. Als ik deze pillen thuis had zou ik in een paradijs leven. De pillen hebben dat monster dat mij achtervolgde gereduceerd tot een schaduw die ik altijd in mijn nek voel hijgen. Maar dat is toch een verbetering.

‘Wat is toch dat monster waar je het alsmaar over hebt?’ vroeg mijn dokter me.

Dat is het nou juist wat het monsterlijk maakt; ik weet dat het er is maar ik kan het niet zien. Mijn dokter is een fijne peer en bij hem doe ik ontdekkingen die nu zo volstrekt logisch lijken maar die ik zonder hem niet zou hebben gedaan. Het voelt als een nieuw continent ontdekken terwijl je eigenlijk de wereldkaart al kent. Zijn naam is Richard en door hem realiseerde ik mij pas geleden dat ik helemaal geen herinneringen heb van mijn jeugd. Mijn leven lijkt pas rond mijn tiende begonnen te zijn. Alles van daarvoor lijken vage oude films waarvan de filmrol knarsend ronddraait en alleen maar ruis voortbrengt vol flikkerende vage beelden. En soms hoor ik dan onder die ruis kinderstemmen spreken, lachen en huilen maar hoe hard ik het ook probeer ik kan ze niet verstaan. Zo legde ik het uit aan Richard en hij merkte op dat ik een erg beeldende manier van spreken heb. Dat is natuurlijk een beetje lachwekkend omdat ik hier nou juist zit vanwege mijn uit de hand lopende fantasie om het zo maar te zeggen.

‘Wat is je eerste herinnering?’ vroeg Richard mij.

Ik zucht en schuif onrustig met mijn billen over de bank onder mij. Het is een witte suede bank, nog meer wit. Richard keek mij vriendelijk afwachtend aan maar ik wist dat het tactiek was. Hij zou mij dwingen te vertellen wat ik moet vertellen, met een vriendelijk gezicht dat dan weer wel. Ik sluit mijn ogen en probeer door de krochten van mijn verleden te wandelen. Wat is het allereerste beeld dat zich vastklampte aan mijn hersenstam?

‘Ik denk dat ik een jaar of tien was en ik zat op mijn moeders bed. Ik keek naar haar terwijl ze zich opmaakte voor de spiegel. Ze praatte tegen mij over mannen, ze had in die tijd veel afspraakjes. ‘Laat het nooit gebeuren dat jij meer van hem houdt dan hij van jou. Dat is gevaarlijk vergeet dat nooit Jolie.’ Ik staarde naar haar steile blonde haren en naar haar grote borsten die samengeperst waren in een strak t-shirt en ik kon alleen maar denken dat grote mensen rare wezens zijn want ik kon me niet voorstellen dat ik er ooit zo uit zou willen zien voor een man.’

‘Leeft je moeder nog?’ vraagt Richard mij en ik knik en schud dan mijn hoofd.

‘ Niet echt. Ze zit in een verzorgingstehuis ze heeft Alzheimer.’ Ik lach even en zeg dan: ‘het ironische is dat het nooit in mij is opgekomen om mijn moeder te vragen waarom ik mijn jeugd ben vergeten. Ik dacht altijd dat het mijn geheim was dat me speciaal maakte en het voelde altijd als iets dat ik verborgen voor haar moest houden; de dromen en het vergeten. Totdat ik een paar jaar geleden besefte dat zij de sleutel in dit verhaal was. Zij wist precies wat er in mijn jeugd gebeurd is. En toen kon ik het haar niet meer vragen want de Alzheimer heeft haar compleet overgenomen.’

 

De dagen zijn lang en volgen altijd hetzelfde schema: We staan op om 7 uur, half 8 ontbijt, om half 9 beginnen de groepssessies en tussen half 11 en 12 hebben we creatieve therapie. Na de lunch zijn de individuele sessies en een uur sporten om 4 uur. Om 6 uur wordt het eten opgediend en kijken we TV tot 9 uur want om 10 uur gaat het licht uit. Het is een gevangenis voor elk normaal functionerend persoon maar voor gekken zoals ik is het rustgevend en veilig. Niets onverwachts zal gebeurden. Maar ik mis mijn baby’s. Ze zijn natuurlijk geen baby’s meer en toch zullen ze dat altijd blijven voor me. Anna is met haar 7 jaar al heel volwassen, soms denk ik dat dat mijn schuld is. Thuis keek ze me soms met een schuin hoofd aan, haar blauwe ogen die naar mij staarden met de bezorgdheid van een moeder. Het gaf me altijd rillingen en ze trok me daar altijd mee weg uit mijn dagdromen. Dan besefte ik weer dat ik moeder ben en voor hen moet zorgen.

‘Hebben jullie al ontbeten lieverds?’

´Mam, het is al twee uur ’s middags,’ zei Anna dan zachtjes tegen me terwijl Jamie grinnikt en zegt: ´mama is een beetje in de war.’

Dan duik ik op hem en zeg met een quasi-boze stem: ‘wat zeg jij nou Jamie boy? Ben ik in de war? Ik maakte maar een grapje!’

Zijn kleine lijfje onder mij schaterend is natuurlijk het mooiste wat er is. Ik vraag me af waarom het niet genoeg is om me hier met twee benen op de grond te houden om de moeder te zijn die ik zou moeten zijn.

Twee keer per week mag er ’s middags bezoek komen. Meestal komt mijn man met de kinderen.

‘Ik heb je brief gelezen,’ zegt hij op een middag tegen me.

‘O ja?’ vraag ik afwezig terwijl ik kijk naar de baby’s die spelen in het gras. Ze lijken elke keer groter en volwassener als ik ze zie.

‘Ik weet niet zeker of ik alles wel begrepen heb,’ hoor ik hem voorzichtig zeggen en ik glimlach. Ik kan hem niet aankijken want ik hoor zijn bezorgdheid en weet waar hij naar vist. Gaat het wel goed? Zal ze weer iets geks doen? Ik kan het hem niet kwalijk nemen want ik heb het zelf verpest. Maar toch doet het pijn. Kan hij mij dan niet zien? Onder al deze lagen van pillen dokters en dit afgrijselijke gebouw ben ik nog steeds wie ik altijd was. De essentie van mij bestaat nog steeds. Zou hij niet juist degene moeten zijn die dat weet en daar vertrouwen in heeft? In goede en slechte tijden? Wat weten we eigenlijk van elkaar als we dat beloven? Ik geloofde het toen echt maar net zo goed als ik dat zijn vertrouwen heb beschaamd doet hij dat nu ook.

‘Misschien moet ik je nog een brief schrijven en zullen de dingen dan vanzelf duidelijker worden,’ opper ik.

Hij zucht en ik hoor hem naast mij zitten. Ik hoor zijn adem en spieren aanspannen, zijn hand die verward door zijn blonde krullen strijken en zijn ogen die zich vermoeid neerslaan. Hij is net zo verloren als ik maar op één of andere manier word ik ervoor gestraft en hij niet. Hij leeft door, daar in de vrije wereld met onze kinderen. Even voel ik woede opkomen en ik kan hem nog steeds niet aankijken.

‘Dat zou fijn zijn. Als je me nog meer brieven schrijft bedoel ik. Ik lees ze elke avond voor het naar bed gaan. Anders is het bed zo leeg.’

Mijn hand reikt naar de zijne omdat ik precies weet waar die op zijn knie rust en we knijpen hard in elkaars hand terwijl we naar de kinderen kijken spelend in het gras.

 

‘En je vader dan?’ vraagt Richard.

Ik haal mijn schouders op. ‘Die ik heb ik nooit gehad. Volgens mijn moeder heeft hij ons verlaten toen ik nog een baby was.’

‘Ben je nooit nieuwsgierig geweest naar hem? Waarom heb je nooit naar hem gezocht?’

Ik haal weer mijn schouders op. ‘Het was logisch dat ik dat niet zou willen. Mijn moeder sprak bijna nooit over hem en als ze dat al deed waren het alleen maar vreselijke verhalen. Ze vertelde mij hoe hij haar mishandelde en hoe het de grootste fout ooit was om hem tegen te komen. Hij leek me niet een man die ik wilde opzoeken.’

Richard knikt begrijpend maar ’s avonds in bed vraag ik me toch af waarom ik nooit meer aan hem dacht. Zelfs als puber toen ik op zijn tijd een verschrikkelijke hekel aan mijn moeder had kwam het niet in me op naar mijn vader op zoek te gaan. Dat zou toch een natuurlijk proces geweest zijn of niet? En wie zegt dat mijn moeder’s verhalen waar zijn? Wat als zij mij dat alleen maar vertelde zodat ik hem niet zou opzoeken? Wat als zij mij dat alleen maar vertelde omdat hij haar had verlaten en dat had haar bitter gemaakt. Als één ding mijn hele leven al duidelijk, was het dat mijn moeder mannen wantrouwde en eigenlijk nooit een goed woord over had voor welke man dan ook. Waarom denk ik daar nu pas aan?

 

Lieverd,

 

Weet je nog hoe we elkaar ontmoetten? Natuurlijk in de kroeg waar anders? Jij was de populaire student rechten dat elk meisje aanbad en je viel voor dat rare meisje in de hoek van het cafe. Verborgen aan een tafeltje tussen de jassen van de kapstok zat ik met een glas wijn te tekenen. Weet je nog hoe je zomaar aan mijn tafeltje kwam zitten zonder dat ik het doorhad en mij vroeg wat ik tekende? Ik kende jou natuurlijk, iedereen kende je. Wist jij wie ik was? Waarom kwam je aan mijn tafeltje zitten? Ik was niet de knapste en zeker niet de meest opvallende dus waarom? Waarom heb ik je dat nooit eerder gevraagd? En waarom maakt het nu opeens iets uit?

Ik vertelde je dat ik mijn dromen tekende. Je keek naar de tekeningen die verspreid over de tafel lagen en trok je wenkbrauwen hoog op. Je was zo knap: brede schouders, donkerblond stug haar dat alle kanten op stond en grote grijze ogen. Je pakte één van mijn tekeningen op van de tafel. Je staarde naar een graanveld waar een groep raven uit omhoog vliegt. Eén van de raven keek op en zijn kop bleek een skelet te zijn met een snavel.

‘Dat zijn geen fijne dromen.’ merkte je op. En ik knikte.

‘Goed gezien,’ antwoordde ik droog.

‘Heb je vaak dit soort dromen?’

‘Elke nacht.’

Jij zuchtte en zei: ‘wat heftig. Denk je dat het iets betekent?’

Geïrriteerd pakte ik mijn tekening uit jouw handen en weigerde in die mooie grijze ogen te kijken.

‘Ja dat denk ik,’ zei ik alleen maar, wetende dat opkijken in jouw ogen mijn verlies zou betekenen. Ik zou mijn woorden verliezen, mijn gedachten en jij zou alleen nog maar bestaan. Zo was ik nou eenmaal lieverd en zo ben ik nog steeds en dat is natuurlijk precies wat gebeurd is.

Maar kan ik dat jouw kwalijk nemen of alleen mijzelf?

‘Wat betekent het dan?’ vroeg jij in het geheel niet onder de indruk van mijn koude houding.

Ik zuchtte en staarde naar mijn glas. Waarom zou ik ook maar iets aan jou vertellen? De mooie jongen, de populaire jongen, wat zou jij nou van mijn eenzaamheid begrijpen?

Toen zei ik alleen maar: ‘ik denk dat het mij probeert te helpen iets te herinneren. Iets wat ik ben vergeten heel lang geleden.’

Ik keek eindelijk op van mijn glas en staarde in jouw ogen. Ik verloor mezelf toen je naar mij glimlachte en begrijpend knikte.

‘Vertel.,’ zei jij alleen maar.

Daar is het begonnen, zo hebben we elkaar ontmoet. Ik herinner mij niet precies hoe het daarna verder is gegaan. In mijn gedachten hoorden we gewoon bij elkaar vanaf toen maar ik herinner mij niet de eerste zoen of ons eerste afspraakje. Wat herinner jij je nog daarvan? Ik weet dat het misschien niets uitmaakt voor jou. In gedachten hoor ik je zeggen: dat is het verleden, wat maak het uit? Het gaat om de toekomst die kunnen we nog veranderen, het verleden niet. Maar dat is niet zo lieverd. Alleen maar door het verleden te begrijpen kunnen we de toekomst veranderen en aangezien ik geen verleden lijk te hebben is mijn toekomst ook onbepaald. Het is alsof ik vastzit in een eindeloos zwart gat waarin ik maar blijf vallen zonder ooit de grond te raken. Ik heb jouw herinneringen nodig om mijn verleden op te vullen of zelfs op te bouwen mijn geheugen laat mij al mijn hele leven in de steek. Schrijf mij alsjeblieft lieverd het zou mij enorm helpen.

 

III

 

Het is een mooie avond. Ik loop met de hond door onze wijk, op weg naar het park. Ook al is het donker, de maan en de sterren lijken extra hard te schijnen. Het is koud en ik heb een dikke winterjas aan, mijn adem komt als stoomwolkjes uit mijn mond. Maar ik geniet van de kou en de stilte van het tijdstip. Het park is deels onverlicht maar dat deert mij niet, er is licht genoeg. Ik neurie zachtjes terwijl ik de hond bevrijd van zijn riem en zachtjes fluister: ´toe maar Rover, lekker spelen.´ Blij springt hij op en rent het grasveld in het park op.

Ik zie de mannen niet aankomen, opeens staan ze achter mij. Het zijn er drie en één van hen zegt met een donkere stem: ´goedenavond.´

Ik kijk om en ik zie hun lange donkere jassen en ik kan nauwelijks hun gezichten zien die verstopt zijn onder mutsen en sjaals. Mijn instinct waarschuwt mij maar even denk ik: stel je toch niet aan, misschien willen ze gewoon de weg vragen.

Toch besluit ik het risico niet te nemen, ik draai me om en het zet het op een lopen. Ik hoor ze grommen achter me en besef dat mijn instinct gelijk had. Ze willen iets van me. Ik begin harder te rennen en roep om Rover maar die is in geen velden of wegen te bekennen. Ik hoor de mannen achter me ook versnellen en ik probeer nog harder te sprinten. Ik ben nooit een ontzettende sporter geweest en al helemaal geen hardloper. Mijn borst doet gelijk pijn van de exploderende energie in mijn lijf. Ik hijg en hap naar adem maar stoppen is geen optie. Ik merk dat mijn pas vertraagt ook al wil het niet. Mijn benen lijken in lood te veranderen en elke stap wordt zwaarder. Ik denk niet aan opgeven totdat ik de klauwen in mijn schouders voel grijpen en het gehijg in mijn oren voel. Ik val achterover in hun armen die mij overal vastgrijpen en schreeuw wetende dat niemand mij kan horen.

 

´Waarom denk je dat jouw man je niet vertouwd?´ vraagt Richard mij als ik vertel dat ik mij in de steek gelaten en alleen voel in de constante nachtmerries.

Ik lach: ´omdat ik stilstond voor een sloot en erover nadacht om erin te springen.´

´Maar dat is pas een paar weken geleden. Het klinkt alsof je dat gevoel al langer hebt,´ merkt Richard op.

Ik zucht en wil het hier eigenlijk niet over hebben. Het is een aaneenschakeling van genante momenten die mijn gekte in het daglicht bracht terwijl ik zo mijn best deed het te verbergen.

´Ik denk dat het altijd als zo is geweest sinds we elkaar kennen. Maar vroeger toen we studenten waren maakte het minder uit, ik was alleen verantwoordelijk voor mezelf. En ik was zijn gekke vriendinnetje die nachten opbleef, bang om te slapen en niets anders kon doen dan rare gedachten en dromen uittekenen. Met veel drank en drugs erbij natuurlijk,´ zeg ik zwak glimlachend.

Mijn studentenkamer was altijd een chaos van tekeningen, sigaretten en lege drankflessen. Ik vertel Richard maar niet over de verschillende keren dat ik dronken vanuit mijn dakraam van mijn zolderkamer wilde springen omdat ik zeker wist dat ik droomde en dat wilde bewijzen door te springen. Of die keer dat ik in paniek ons net nieuw gekochte huis in een nette nieuwbouwwijk uitrende omdat de dromen mij zoveel angst aanjaagden.

Er zijn wel meer dingen waar ik Richard niet over vertel. Ik heb zo mijn geheimen. Eén van die geheimen heeft geen naam en soms twijfel ik zelf of hij wel echt is. Hij komt altijd ’s nachts als het hele instituut in diepe slaap is, rond een uur of twee. Maar dat is natuurlijk logisch want een relatie tussen patienten is niet toegestaan en daarom moet het in het holst van de nacht gebeuren. We praten nooit echt met elkaar meestal liggen we samen in mijn bed met de punt van onze neuzen tegen elkaar aan. Ik kijk in zijn groene kattenogen die lijken op te lichten in het donker. Zijn donkere lange krullen vallen tot over zijn schouders en zijn mond is verstopt in een baard van een paar weken oud. We houden elkaars handen vast en kijken in elkaars ogen en glimlachen af en toe. Meer lijkt niet nodig te zijn. Andere nachten schuif ik het gordijn van mijn raam open en kijken we naar de sterren die oplichten boven de bomen van de ziekenhuistuin. Ik leg mijn hoofd op zijn borst en in stilte staren we. Overdag doen we natuurlijk alsof er niets is gebeurd. Hij kijkt me niet eens aan en lijkt niet eens van mijn bestaan af te weten. Ik ben niet beledigd of gekwetst, het versterkt het gevoel van de onschuldige liefde die we voor elkaar voelen en die zo kwetsbaar is dat het alleen in het donker kan bestaan en langzaam zal opbloeien. We hebben allebei tijd nodig om aan het idee te wennen.

 

’s Nachts hoor ik een zachte klop op mijn deur. Ik ben nog wakker ik slaap bijna nooit meer. Ik weet niet of het de medicatie is of de gekte maar met geen mogelijkheid krijg ik het voor elkaar mijn gedachten stop te zetten en in slaap te vallen. Ik zit in mijn favoriete leunstoel die ik mee heb genomen van thuis – ik stond erop dat Rob die op het dak van de auto bond anders zou ik niet instemmen met het plan van een psychiatrisch ziekenhuis- met het dekbed om mij heen gevouwen en ik staar naar de muur voor me, wit zoals overal in dit gebouw, en wacht op de slaap. De slaap is als langverwachte gasten die niet komen opdagen op het verjaardagsfeest en ik ben de trieste jarige die met een fles champagne in een lege tuin blijft wachten en huilt naar de verjaardags vlaggetjes die wapperen in de wind. Zelfs de tientallen gedownloade CDs op mijn Ipod vol met rustgevende muziek en jungle geluiden helpen niets. Mijn hoofd lijkt op een oververhitte machine die maar knarsend blijft doordraaien met geoliede ratels en niemand heeft nog controle over de fabriek.

De zachte klop op de deur is een welkome afleiding van deze marteling en ik spring op. Hij staat op de drempel en kijkt me slaperig aan.

‘Gezelschap nodig?’ vraagt hij en ik knik stom.

We proppen ons samen in mijn leunstoel en ik sla de deken om ons heen. Zijn lange haar kriebelt in mijn nek en zijn dunne armen slaat hij stevig om me heen, een beetje te stevig naar mijn smaak maar het is niet erg. We willen allemaal gered worden en soms fungeren we als reddingsboei voor elkaar. Dat is een dankbare taak.

‘Waarvoor ben je hier?’ vraag ik hem zacht.

Ik vraag het me al af sinds ik hier ben want de gekte is bij hem niet zichtbaar. Gekte herken je, het is te zien in de ogen van iemand en in hangende schouders of een slepend been. Gekte verstopt zich altijd maar laat zich ergens in het lichaam zien aan de oplettende mens. Hier is het natuurlijk duidelijk dat we allemaal gek zijn en bij de meesten is het duidelijk te zien, bij mij ook. Ik slof door de gangen, de gekte lijkt mij het optillen van mijn voeten te hebben ontnomen en daarom draag ik alleen nog maar sloffen, roze sloffen. Maar bij hem zie ik het niet; zijn ogen zijn helder en zijn schouders recht  en hij loopt niet met een kreupel been. Soms denk ik dat hij een dokter vermomd als patient is om ons  in de gaten te houden maar ik snap dat dat soort gedachten de medicatie is, dat ben ik niet.

Hij kijkt me aan met zijn oplichtende ogen en glimlacht triest dan slaat hij het dekbed opzij en stroopt de mouwen van zijn trui op. Het is een grijze GAP trui veel te groot voor zijn postuur en soms draagt hij de capuchon ook dan is bijna niets van hem nog zichtbaar. Zelfs in het donker is het niet moeilijk om zijn gekte te zien, open en bloot en kwetsbaar. Dikke roze rupsen lopen over zijn onderarmen, sommigen verdwijnen onder de opgestroopte mouwen. Hij kijkt naar me terwijl ik naar de ravage van zijn armen kijk. Hij peilt mijn reactie en lijkt te leven tussen hoop en angst dat ik medelijden met hem zal hebben.

Ik glimlach alleen maar met trillende lippen en zeg: ‘Ik hoop dat je wel een reden zult vinden om te blijven leven.’

Hij glimlacht ook en we duiken terug in de dekens.

‘Waarom jij?’ vraagt hij met schorre stem.

Ik kijk naar de sterren buiten en geniet van de omhelzing. Ik sluit mijn ogen en stel mijzelf even voor dat ik nog op de middelbare school zit en dat mijn enige hoop is dat dit de avond van mijn eerste zoen zal zijn. Wat een heerlijk hopen was dat. Waarom ben ik hier? Goede vraag.

 

Het voelde als in een film waarbij twee mensen elkaar aankijken en alles om hen heen valt weg, het enige wat overblijft zijn zij tweeen en romantische muziek. In mijn geval viel alles weg, niet een moment lang maar volgens de politie en mijn kinderen een paar uur. En ik keek niet in de ogen van mijn grote liefde. Ik stond naast mijn auto met de motor nog aan. Mijn kinderen zaten binnen maar ik hoorde ze niet huilen en op de ramen bonken. Ik zag alleen maar de sloot voor me. We stonden op een landweggetje op weg naar huis en ik snapte het opeens. Ik stopte de auto deed mijn schoenen uit en staarde naar de sloot voor mij. Wat nou als ik daar in zou duiken, zou er dan een uitgang aan de andere kant zijn. Zou het water helder zijn onder al die modder? Zou ik daar mijn antwoorden vinden?

De politie dacht dat ik zelfmoord wilde plegen en Rob zei dat hij het me nooit zou vergeven dat ik de kinderen had laten meemaken wat mijn gekte inhield. Maar het voelde als een moment, ik had even vijf minuten nodig voor die gedachte: wat is er aan de andere kant van de tunnel? Is er licht? Ik probeerde dit uit te leggen aan de politie en aan Rob maar de politieman keek mij medelijdend aan en Rob met afgrijzen. Er was niets meer over van de vrouw waar hij verliefd op was geworden, dat zag ik in zijn ogen. Maar hij snapte mij niet. Ik zou de kinderen nooit in gevaar brengen, nooit met opzet.

 

‘Kom, de zon schijnt, laten we alsjeblieft naar buiten gaan.’ Zegt Carla en ik knik instemmend. Het is een paar dagen na het bezoek van Rob en de kinderen en ik ben blij weer iemand te zien die niet overduidelijk gek is.

We staan op en ze kijkt misprijzend naar mijn joggingbroek en verwassen t-shirt.

‘Misschien wil je iets anders aantrekken lieverd? Ik denk dat je je dan vanzelf beter gaat voelen,’ zegt ze lief glimlachend.

‘Als het leven zo makkelijk zou zijn,’ antwoord ik zuchtend.

Maar ik loop naar mijn kast, trek een spijkerbroek eruit en kleed mij om. Voor Carla is het leven ook zo makkelijk daarom zijn we al zolang vrienden. Ze was nooit onder de indruk van mijn problemen en daarom werden we vrienden. Als ik klaar ben kijkt ze nog steeds misprijzend naar mijn voeten. ‘Die sloffen?’ vraagt ze met hoog opgetrokken wenkbrauwen.

Ik schud mijn hoofd. ‘Geen denken aan, mijn voeten passen nergens anders in dan deze roze sloffen.’ Carla kijkt me verward aan en lijkt op nader uitleg te wachten.

Dan zucht ze en glimlacht. ‘Kom op.’

Op het terras buiten zetten we allebei onze zonnebrillen op en leggen onze voeten op de stoel voor ons.

Carla zucht: ‘wat een leven heb je hier lieverd. Ik zou ook wel een tijdje hier willen logeren. Geen werk of verplichtingen, alleen maar uitrusten.’

Ik grinnik. ‘Je hoeft alleen maar gek te worden Carla, dat is toch niet zo moeilijk?’

We lachen samen en ik vraag haar: ‘heb je meegebracht wat ik je vroeg?’

Carla knikt en rommelt in haar tas. Ze geeft mij een waterfles gevuld met een licht geel goedje.

Ik neem een slok en zucht tevreden: ‘Dat is het enige wat je hier zal missen Carla: goede chardonnay of wat voor alcohol dan ook.’

Carla glimlacht. ‘Geen dank lieverd.’

We zijn stil terwijl ik de fles naar binnen giet. Carla en ik kennen elkaar sinds de brugklas. We zaten naast elkaar tijdens het eerste lesuur van de eerste dag en zijn de zes jaar daarna nooit meer ergens anders gaan zitten. Carla was de enige die mijn rare houding niet serieus nam. Gek genoeg vond ik dat juist fijn. Bij haar leken mijn dromen, dwangmatige tekenen en permanente frons niets voor te stellen. In Carla’s ogen was iedereen gek, haarzelf incluis.

‘Dat is het mooie aan het leven Jolie. Niemand weet waarom we hier zijn en wat in godsnaam het nut is van het rare spelletje spelen genaamd het leven. Daarom zijn we allemaal gek op één of andere manier. Jij laat het alleen zo duidelijk zien en daar  houden mensen niet van. Over het algemeen doen mensen graag alsof. Ze doen graag alsof ze het wel snappen en alsof het er wel toe doet en daarom nemen ze jou jouw eerlijkheid kwalijk. Trek het je niet aan. Maar weet je, af en toe glimlachen zou wel helpen hoor,’ zei ze tegen mij toen we zestien waren en tijdens een schoolfeest stiekem de gymzaal in waren geglipt om de gestolen fles wijn uit haar ouders’ kast op te drinken.

We werden die avond ontzettend dronken en Carla’s ouders die ons ophaalden waren ontzettend kwaad. Maar de flessen wijn bleven en af en toe glimlachte ik. Ik vergat haar woorden nooit.

‘Je bent de enige van mijn vriendinnen die mij hier komt opzoeken,’ merk ik op.

Carla lacht en zegt: ‘lieverd natuurlijk. Voor mij is het altijd onvermijdelijk geweest dat je op één of andere manier hier zou eindigen. De rest zag het niet aankomen.’

Ik lach ook en blijf dan lachen omdat de belediging zo groot is dat het toch weer grappig is. Daarom houd ik van Carla.

‘Eindigen? Ik ga niet dood hoor Carla,’ zeg ik door het hikken van het lachen heen.

Carla kijkt mij nu serieus aan. ‘Even serieus Jolie. Wat deed je daar bij die sloot? Rob zegt dat je zelfmoord wilde plegen.’

Ik schud mijn hoofd. ‘Hij luistert niet naar me, niemand luistert. Ik bedoel echt luistert.’

‘Vertel het met lieverd. Ik luister.’

‘Je zal het gek vinden.’

‘Tsja, je hebt de schijn tegen,’ zegt ze grinnikend. ‘Maar probeer het toch maar.’

‘Carla, ik zweer je dat ik geen zelfmoord wilde plegen. Ik zou mijn kinderen nooit achter laten. Ik weet niet precies waarom ik precies daar bij die sloot stopte maar wat ik wel weet is dat ik al mijn hele leven zoek naar het gat in mijn geheugen dat ik maar niet kan vullen en dat ik even dacht dat op een symbolische manier de oplossing aan de andere kant van de sloot lag snap je? Ik bedoel metaforisch gezien. Wat nou als de oplossing aan de andere kant van de nachtmerries en dagdromen ligt?’ ‘Proberen ze je iets te vertellen?’ vraagt Carla.

Ik schud mijn hoofd. ´De oplossing ligt niet in de dromen, de beelden ervan bedoel ik. De dromen zijn het symptoom.´

‘Het symptoom van wat?’ vraagt Clara. Ze kijkt me verward aan en lijkt me niet te kunnen volgen. Dat overkomt me wel vaker de laatste tijd.  

‘Dat is het nou precies. Dat is dat monster wat ik alsmaar niet kan ontdekken. Ik denk dat het iets met mijn ouders te maken heeft,’ gooi ik er dan uit.

‘Wat dan met je ouders?’

‘Ja, als ik dat wist Carla. Dan zouden we op een terrasje ergens in de stad zitten en niet hier.’

Carla pakt mijn hand en we staren naar de tuin. ‘Ik geloof je lieverd.’

Voor even is dat het beste gevoel wat er is.

 

IV

 

Lieverd,

 

De dagen zijn hier lang en eentonig maar op één of andere manier voelt het veilig en knus. De buitenwereld bestaat hier niet en doet er niet toe. Het enige wat er toe doet zijn onze hersenspinsels die we proberen uit te pluizen, keer op keer totdat iets ervan maar ook duidelijk wordt. Wat maar weinig gebeurt. Maar toch heb ik het gevoel dat ik vooruitgang boek al is het alleen maar omdat ik besef dat mijn hoofd flink in de war is. Met mijn hoofd bedoel ik ikzelf en toch ook weer niet. Soms lijkt het alsof ik voor even verdwijn en onderduik in het niets en dan op andere momenten ben ik er zelf weer en denk ik helder na. Ik ben er al die tijd wel en toch ook weer niet. Sorry als dat je verward of beangstigt, ik kan het niet beter uitleggen.

Ik lieg natuurlijk als ik zeg dat de buitenwereld niet bestaat want die mis ik juist zoveel alle dagen. Ik mis jou en de kinderen. Ik mis jullie zoveel dat ik soms fantaseer om weg te rennen, de poort uit en Jamie en Anna te knuffelen voor zolang als het duurt. Schrijf mij alsjeblieft lieverd. Jij bent de enige poort naar de buitenwereld.

 

Lieve Jolie

Het is hier druk. Zo druk dat ik pas nu de tijd heb gevonden je terug te schrijven. Het lag er niet aan dat ik het niet wilde maar je snapt dat nu jij hier niet bent alles nog drukker dan normaal is.

Ik moet bekennen dat het ergens pijnlijk is dat je zo weinig herinneringen hebt voor mij. Ik weet dat het niet persoonlijk is maar soms lijkt alsof ik nooit genoeg ben geweest om zich vast te pinnen in die gekke afgeleide hersens van jou. Ik weet dat dat gek klinkt maar zoals jij zo vaak gekscherend hebt gezegd: we zijn allemaal een beetje gek.

Ik herinner mij dat moment nog goed dat ik je ontmoette. Je was zonder twijfel het knapste meisje in de kroeg, daarom sprak ik je aan. Ik was eigenlijk gelijk verliefd op die gekke krullen van je en die geconcentreerde frons met fonkelende boze ogen eronder. Soms denk ik dat ik verliefd werd op je getob. Ik was zoals je zei de populaire jongen die door het leven zweefde maar dat voelde niet goed. Ik was op zoek naar iets wat ertoe deed en dat vond ik bij jou. Onze eerste date was trouwens een volledige mislukking. We gingen naar de bioscoop en ik dacht een galante man te zijn en jou de film te laten kiezen dus voor ik het wist zaten we in een of ander holocaust drama waar absoluut niets romantisch aan was. Toen ik dat opmerkte in het café daarna keek je me totaal verbaasd aan. Het woord romantisch was niet eens in je opgekomen. En de rest van de avond sprak je over alles wat je gelezen had over concentratiekampen en geloof me je had er erg veel over gelezen. Ik heb de hele avond naar die fonkelende ogen van je gekeken en bijna geen woord gezegd. Het klinkt cliché maar je leerde mij dat er ook nog een wereld bestond buiten mij. God wat was ik egoistisch op mijn drieentwintigste. Overigens zoende we voor de tweede keer die avond. De eerste keer was buiten op straat nadat ik je in dat café had ontmoet. Je zei dat je naar huis ging en toen ik zei dat ik je thuis zou brengen vroeg je gepikeerd of ik soms dacht dat je dat zelf niet kon. Ik lachte en zoende je als antwoord. Toen pas liet je mij mee naar je huis lopen. Ik wilde gewoon langer tijd met je doorbrengen maar in die kronkels van jou komen dat soort oppervlakkige gedachten niet voor.

De kinderen missen je en praten de hele dag over je. Ze vertellen mij over de gekke spelletjes die je met ze speelt en de verhalen die je ze vertelt. Je bent een geweldige moeder Jolie. Ik weet dat jij denkt dat ik dat niet geloof maar dat is niet zo. Het is alleen de gebeurtenissen van de afgelopen jaren hebben me angst aangejaagd dat snap je toch wel?

Blijf mij schrijven Jolie, ik mis je.

 

V

 

Ik speel in de zandbak. Het zand is heerlijk koud en glijd zo lekker tussen mijn vingers door. Ik schep het zand met mijn handen in een geel emmertje, daarna stamp ik het zo goed mogelijk aan elkaar en zet dan het emmertje omgekeerd neer op  het zand. Het moeilijkste is dan om heel voorzichtig het emmertje omhoog te trekken zodat het zand erin blijft staan en het op die manier een torentje vormt. De helft van de zandbak heeft al zulke torentjes en ik vind dat het er prachtig uitziet. Het is zonnig en ik ben vrolijk, de zon maakt mij gelukkig. Ik denk erover om aan mama straks te vragen of Patricia mijn buurmeisje straks mag komen eten. En of we dan patatjes eten, daar heb ik zo een zin in. Maar ja, mama zegt altijd als ik om patatjes vraag dat we dat niet alle dagen kunnen eten. Ik vraag mij af waarom. Achter mij hoor ik gedempt geschreeuw dat aanzwelt als de tuindeur openzwaait en mijn ouders schreeuwend naar elkaar naar buiten komen.

´Je gaat nergens heen,´ schreeuwt mijn vader.

Mijn moeder gilt hoog als hij haar hard bij haar arm pakt en hij haar met een vlakke hand in het gezicht slaat.

´Stop, niet doen!´ roept ze alleen maar. ´Niet waar Jolie bij is.´

Mijn vader merkt mij nu pas op en kijkt me met woedende ogen aan, ik denk dat hij teveel van dat bier heeft gedronken. Zo ziet hij er altijd uit na een stuk of zes van die flesjes. Hij komt op mij af en ik ben bang.

´Papa? Wat is er?´ vraag ik maar hij antwoordt niet.

Ik begin te huilen als hij de zandbak inloopt en al mijn torentjes plat stampt. Hardhandig trekt hij  mij omhoog aan mijn arm en loopt met mij naar binnen.

´Naar je kamer, nu!´ sist hij naar me.

Dan draait hij zich om en sluit de deur, het omdraaien van het slot is oorverdovend. Ik ren naar de deur en sla erop. ´Laat me eruit!´

Maar papa en mama horen mij niet. Ik zie hoe hij mama op de grond duwt en op haar in begint te schoppen. Ik schreeuw het uit en kijk naar haar terwijl zij geen geluid meer kan opbrengen, het schoppen beneemt haar de adem. Ze kijkt naar mij huilend, schreeuwend en op en neer springt achter de deur. Haar ogen zijn leeg, ze lijkt hier niet meer te zijn.

 

‘Ik wil graag met je praten over je moeder,’ zegt Richard. ‘Hoe is jullie relatie?’

‘Nu is het moeilijk om het een relatie te noemen want ze herkent mij niet meer.’ Ik glimlach even gepijnigd. ‘Maar eigenlijk zijn we mijn hele leven heel close geweest. Hoewel close is misschien niet het goede woord. Mijn vriendin Carla zei altijd dat we een perverse relatie hadden.’

Richard trekt zijn wenkbrauwen op.

‘Nee niet op die manier. Carla overdrijft altijd. Maar ze heeft op een bepaalde manier gelijk. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik iets goed moest maken, dat ik haar iets verschuldigd was. Misschien omdat ik het kind van mijn vader ben die ze nooit had willen ontmoeten. Dat impliceert natuurlijk dat ze mij dan ook niet had gewild. Ik denk dat ik altijd mij zo goed mogelijk gedroeg bij haar zodat ze er geen spijt van zou krijgen dat ze mij had gekregen.’

‘Hoe gedroeg je je dan?’

Ik lach. ‘Nou ik wilde nooit mee met Carla naar feestjes waar ik niet heen mocht van haar bijvoorbeeld. Ik wilde haar voor geen goud boos maken. Maar ik verstopte ook mijn gekte voor haar; de tekeningen en het feit dat ik zulke dromen had. Elk klein kind dat nachtmerries heeft roept om zijn moeder maar ik haalde het niet in mijn hoofd. Ik gedroeg mij altijd als een normaal vrolijk kind bij haar.’

Richard knikt begrijpend, als een echte therapeut denk ik. Want dat doen therapeuten.

‘Kan zij iets te maken hebben met het gat in je geheugen Jolie?’

‘Hoe dan? Ze wist niet eens dat ik er een heb. Ik heb het haar nooit verteld. Waar hint je nou eigenlijk op,’ zeg ik geirriteerd.

De witte muren en Richard zijn therapeuten gepraat beginnen mij op de zenuwen te werken. Waar slaat dit eigenlijk op.

‘Ik probeer te zeggen dat er misschien iets traumatisch in je jeugd is gebeurt met jou en je moeder dat je verdrongen hebt,’ zegt Richard onaangetast door mijn uitbarsting zoals het een therapeut betaamt. Ik zucht nukkig. ‘Nou het grappige is Richard dat we dat nooit zullen weten want mijn moeder heeft alzheimer en ik herinner het mij niet meer. Dus wat nu?’

‘Dat is precies die sloot waar jij het over had Jolie,’ merkt hij op. ‘We zijn bezig de sloot in te duiken om te zien wat er aan de andere kant is.’

Ik staar hem en knik dan langzaam. ‘Maar hoe dan?’

‘Dat weet alleen jij Jolie.’

´Ik heb hier geen zin in.´ Ik sta op en loop de kamer uit.

 

Het groen van het park wast het klinische wit van mij af en ik kan weer ademhalen. Op een bankje bij de vijver zie ik hem zitten, zoals zo vaak gekleed in een veel te grote trui en de capuchon op. Ik zie alleen zijn neus eruit steken. Ik loop langs het bankje en hij herkent me. Hij glimlacht en wenkt me te gaan zitten.

´Hoe gaat het?´ vraagt hij me.

Ik haal mijn schouders op. ´Slecht. Ik blijf maar tegen de muur van geheugen aanlopen.´

Hij knikt ook al weet ik niet zeker of hij het begrijpt.

´Wat doe jij hier?´ vraag ik hem.

´Ik probeer te vergeten dat ik in een psychiatrisch ziekenhuis ben,´ antwoordt hij en ik grinnik.

´Hoe dan?´

Nu haalt hij zijn schouders op. ´Het is simpel. Staar zo lang mogelijk naar een punt in die vijver en wacht totdat een mooie vrouw naast je komt zitten.´

Ik moet lachen. ´Flirt je nou met me?´

Hij wendt zijn hoofd eindelijk af van de vijver en kijkt mij recht aan. Zijn donkere ogen kijken me speels aan. Ik buig voorover en kus hem licht op zijn lippen. Hij slaat zijn armen om mij heen en trekt me dichter naar hem toe. Zijn kussen worden gulziger en opgewonden. Voor even vergeten we wie we zijn en waar we zijn, onze realiteit bestaat alleen nog uit lippen en tong. Als we elkaar hijgend als tieners weer aankijken en hij me snel een laatste keer zoent, vraag ik me even af waar ik mee bezig ben. Dan staat hij op en loopt weg. Wacht, wil ik zeggen. Ik wil hem vragen hoe hij heet. Wie ben je? Wie heb ik zojuist gezoend?

 

Ik ben nog steeds helemaal in beslag genomen door deze vragen als Rob en de kinderen langskomen. Het weer is omgeslagen en we zitten in de visite zaal. De kinderen hebben mij alles over school verteld en het heeft me alle mogelijke moeite gekost om mijn aandacht erbij te houden. Mijn ogen lijken telkens af te dwalen en te zoeken naar die capuchon of dat verwarde lange haar. Hoe konden we nou zo intens zoenen en loopt hij daarna weg? Rob ziet mijn afwezigheid en vraagt één van de medewerkers om kleurplaten en kleurpotloden. Als Anna en Jamie geconcentreerd zitten te tekenen, aait hij over mijn rug en probeert mijn blik te vangen. Maar als hij me voelt verstijven onder zijn aanraking trekt hij snel zijn hand terug. Ik kan hem nog steeds niet aankijken, wanneer zal dat over gaan?

´Lieverd ik moet je iets bekennen,´ zegt hij dan.

Ik voel hoe gespannen hij is en met moeite scheur ik mij los van de omgeving en concentreer mij op zijn stem.

´Ik ben in je werkkamer geweest. Ik weet dat je dat eigenlijk niet wil maar het moest een keer schoongemaakt worden.´

Ik verstijf en staar naar het tafelblad. Ik probeer de groeven te volgen van het nephout maar ik hoor hem verder praten.

´Ik moet bekennen dat ik behoorlijk geschrokken ben. De tekeningen aan de muur, de tekeningen overal. Wanneer heb je die allemaal gemaakt?´

Ik haal mijn schouders op en praat tegen het tafelblad. ´Doorlopend, vooral ´s nachts als ik niet meer durf te slapen. Het helpt om de dromen te vergeten.´

´Het zijn er heel veel.´

Ik knik. ´De nachten zijn lang.´

Ik schaam me en voel me naakt. Het is alsof hij in mijn hoofd heeft gekeken en mijn ziel heeft aanschouwd en vervolgens met een bezorgde toon zegt dat er iets niet klopt. Ik voel me tot op het bot gekrenkt en wil niets meer met hem te maken hebben. Ik wil dat hij pijn lijdt zoals ik en ook iets heeft om zich druk over te maken.

´Ik heb hier iemand ontmoet, een man bedoel ik. Ik weet niet of ik nog wel verder wil met jou,´ gooi ik er dan uit en zonder op zijn antwoord te wachten of zijn reactie te peilen richt ik mij op de kinderen en pak een kleurpotlood op.

 

VI

 

De zon verwarmt mijn huid, het geeft een vakantiegevoel. Ik lig op het voordek en luister met gesloten ogen naar het klapperende zeil van de zeilboot. Als ik mijn ogen open staart een strakblauwe lucht mij aan, zonder emotie en met alleen maar zinderende warmte. Ik hoor Rob en zijn vrienden op de achtergrond praten en ik hoef mij niet om te draaien om het plaatje te zien; mannen van midden dertig met goede carrieres, vol zelfvertrouwen in Hawai shorts en beginnende buikjes van naderende ouderdom, proosten naar elkaar met hun flesjes vol Heineken en vertellen elkaar de hele middag schunnige grappen. Ik glimlach en ben blij ver weg te blijven van zoveel oppervlakkigheid. De zon is heet en langzaam voel ik de stralen door mijn zonnebrandcreme heen schroeien. Ik besluit dat het tijd is voor een duik.

Als ik opsta en naar de reling toeloop roept Rob mij toe: ´voorzichtig he schat.´

Ik antwoord niet, wat een overdreven macho betutteling. Maar ik weet waarom hij het zegt, ik ben een verschrikkelijk slechte zwemmer. Ik stap over de reling en spring zonder angst in het diepblauwe water, verlangend naar de onmiddelijke verkoeling.

Het water is verfrissend en ik laat me omhelzen en verkoelen. Als ik weer boven kom dobber ik op mijn rug en bedenk dat ik zo uren kan rondzweven in het eindeloze water. Misschien doe ik dat wel of misschien zijn het maar een paar minuten maar als ik besluit me om te draaien en terug naar de boot te zwemmen kijk ik om mij heen en slaat de paniek onmiddelijk toe. De boot is weg, in geen velden of wegen te bekennen. Ik draai rondjes om mijn as in het water en begin gelijk te huilen van angst, de boot is echt weg. De paniek is overweldigend en de tranen stromen over mijn wangen. Op één of andere manier vergeet ik daardoor te zwemmen, ik weet zelfs niet eens meer hoe het moet en het diepblauwe water trekt mij naar beneden. Voordat ik kopje onder ga neem ik in alle paniek nog even diep adem en verdwijn dan onder het oppervlak. Onder water probeer ik mijn weg omhoog terug te vechten maar het lijkt alsof mijn lichaam niet meer het mijne is, mijn ledematen reageren helemaal niet op enige gedachte van mijn hersens. Ik voel de lucht uit mijn longen verdwijnen en de druk om naar adem te happen neemt toe terwijl ik blijf zinken. Het diepblauw verandert langzaam in zwart en dan denk ik aan haaien, zouden er hier ook haaien zijn. De gedachte jaagt me zoveel angst aan dat ik in paniek begin rond te draaien om mijn as en eindelijk toegeef aan het verlangen om adem te halen. Ik open mijn mond en in plaats van lucht stroomt het water binnen. Het wordt zwart voor mijn ogen en ik weet het zeker: ik ga nu dood.

 

Als ik ´s ochtends verwoed een zee vol haaien zit te tekenen leidt een klop op mijn deur mij af. Ik heb niet meer met hem gesproken sinds de zoen op het bankje en ik ben blij om hem voor mijn deur te zien staan.

´Hoi,´ zeg ik verlegen en hij glimlacht terug.

´Mag ik binnenkomen?´

Ik knik en laat hem binnen. Alsof het nu een gewoonte is nestelen we ons samen in mijn oude leunstoel met de deken over ons heen ook al is dat een beetje gek zo op klaarlichte dag. Maar het is wel knus. We praten eigenlijk niet, we staren elkaar een tijdje aan en dan zoent hij mij weer. Zijn lippen zijn stevig en dwingend en ik denk dat hij net gerookt heeft, wat eigenlijk vies smaakt maar daardoor ook wel spannend is. Ik druk mijn lichaam hard tegen het zijne en laat merken dat ik verlang naar meer. Onze handen zoeken naar elkaar onder de dekens en uiteindelijk ruk ik me los en sta op. In het volle zonlicht zonder schaamte staar ik naar hem en trek mijn kleren uit. Ik laat me door hem bekijken; ronde volle borsten, een klein wit hangbuikje, slanke lange benen en een bos donker schaamhaar. Dan draai ik me om en loop naar het bed, ik hoor dat hij mij volgt. Ik lig op mijn rug op bed en kijk hoe hij zijn trui en broek uittrekt. Eindelijk kan ik zien wat zich daaronder verbergt. Als hij naast me ligt streel ik zijn witte bijna doorschijnende huid en loop met mijn vingers over de littekens die overal over zijn lichaam te vinden zijn. We zoenen lang en langzaam, we lijken allebei te wachten totdat de ander de volgende stap neemt. Als hij dan eindelijk zijn handen tussen mijn benen laat glijden en ik voorzichtig mijn handen om zijn lid leg verliezen we allebei onze kinderlijke verlegenheid en neemt ons instinct het over. Even, misschien een seconde lang kijk ik op in zijn ogen terwijl hij bovenop mij ligt en mij binnendringt en besef ik dat ik dit doe met iemand anders dan Rob. Rob, mijn grote liefde en de vader van mijn kinderen, wat voelt dat nu ver weg. Het is maar een seconde en dan is het weg. Dan is het alleen nog maar hij en ik, twee gekken die elkaar begrijpen en zich onbegrepen voelen.

Daarna liggen we verstrengeld op mijn bed, weg te doezelen in de ochtend zon. We vallen samen langzaam in slaap en net voordat de dromen het overnemen fluistert hij in mijn oor:´verlaat je man Jolie. Laten we hier samen weggaan en een nieuw leven beginnen.´

Met een glimlach val ik in slaap. Als ik wakker wordt ril ik van de kou, de zon is weg en mijn naakte huid is verkleumd. Hij is al weg, hij wilde mij vast niet wakker maken. Dat is misschien maar beter zo, ik heb veel om over na te denken.

 

Carla is er weer en ik ben opgewonden als een schoolmeisje, ik kan niet wachten om haar te vertellen over hem. We zitten weer in de zon en ik slurp de illegale chardonnay naar binnen.

´Carla, ik heb iemand ontmoet.´

Carla trekt haar wenkbrauwen op. ´Wat bedoel je liefje?´

´Ik bedoel dat ik iemand ontmoet heb, een man. Ik ben verliefd Carla.´

Ze kijkt me nu echt verbaasd aan. ´Waar heb jij het nou over? Op wie dan? En ben je vergeten dat je getrouwd bent ofzo? Weet je nog, Rob je grote liefde?´ zegt ze verontwaardigd.

Geirriteerd wuif ik dat allemaal weg. ´Kan je even een beetje ruimdenkender zijn Carla. Rob is mijn man ja en soms is de liefde voorbij, dat kan. Hij heeft mij gevraagd Rob te verlaten en hier samen weg te gaan.´

´O ja, wat romantisch zeg. Vluchten uit het gesticht,´ zegt ze sarcastisch. ´En je kinderen dan? Daar zal Rob dan wel voor zorgen?´

Ik schud mijn hoofd. ´Nee, die kunnen toch mee met mij en hem?´

´O en dan zien ze Rob nooit meer?´

Ik zucht. ´Ik heb het nog niet allemaal uitgedacht Carla maar kan je niet even blij voor me zijn? Ik zit hier al weken opgesloten en eindelijk gebeurt er iets leuks, dat is toch fijn voor mij?´

Carla´s wenkbrauwen nemen grote hoogtes aan en ze schudt afkeurend haar hoofd. ´Lieverd, ik wist altijd al dat je gek was maar zo gek had ik echt niet gedacht. Jij leeft in je eigen fantasiewereld waar alles maar om jou draait.´

In stilte slurp ik mijn plastic flesje Chardonnay leeg en we luisteren beiden naar de spanning tussen ons die nog nooit eerder bestaan heeft.

 

Richard kijkt me afwachtend aan maar ik weet niet wat ik moet zeggen; de kamer irriteert me meer dan  normaal en ik voel de rusteloosheid mijn keel dichtknijpen. Ik ben kwaad op Carla en haar veroordelende toon en ik vraag mij af wat ik hier doe in dit gesticht. Wie is hier nou eigenlijk gek: ik of de rest van de wereld?

‘Gaat het Jolie?’ vraagt hij mij maar ik schud mijn hoofd zonder een woord uit te kunnen brengen. ‘Probeer mij uit te leggen wat je dwars zit,’ zegt hij rustig en ik kan zijn therapeutische gepraat niet langer aanhoren. ‘

Ik ben het hier zo zat Richard. Ik word hier helemaal niet beter ik heb juist het gevoel alsof ik gekker wordt en ik kan hier niet blijven om te wachten op een oplossing. Ik wil terug naar buiten en een leven hebben. Ik wil bij mijn kinderen zijn en leuke dingen meemaken het leven meemaken.’

Hij kijkt mij aandachtig aan en vraagt dan: ‘heb je het gevoel dat je hier gevonden hebt wat je zocht? Heb je antwoorden gevonden?’

Ik schud mijn hoofd terwijl ik uit het raam staar. Ik weet wat hij gaat zeggen en het staat me niet aan. ‘Dan ben je nog niet klaar Jolie je kunt niet zomaar opgeven ook niet als het even tegenzit.’

Tegenzit? Wat weet hij daar nou van. Het zit niet tegen, het leven staat gewoon compleet stil.

Zonder een woord te zeggen loop ik Richard zijn kamer uit en volg de lange witte gangen terug naar mijn kamer. Ik staar naar de tafel waar mijn schetsboek ligt. Dan ga ik zitten en sla het open en begin ik te tekenen: een man met lang donker haar een spitse neus en een capuchon op die zijn gezicht verbergt. Ik teken hem de volgende vier uur achter elkaar opnieuw en opnieuw totdat ik tevreden ben en moe naar bed kan.

 

VII

 

Het is donker, ik zie helemaal niets. Ik voel de dekens over mijn schouders en het matras onder mij. Het is gek om te beseffen dat ik zo even helemaal niet wist waar ik was, terwijl ik gewoon in bed lig. Waar anders kan het zo donker zijn? Ik duik dieper onder het dekbed en sluit mijn ogen, wachtend op de slaap. Ver weg hoor ik stemmen steeds harder tegen elkaar praten. Dan is het even stil en hoor ik een vrouw schreeuwen, het is een kreet van pijn. Ik voel haar pijn in het gegil en schrik, waar komen die geluiden vandaan. Dan begint de vrouw te huilen, ze huilt ongeneerd hard met lange uithalen. Ik hoor een mannenstem zijn stem verheffen en dan weer een kreet van pijn en gesnik. Ik probeer nog dieper weg te kruipen in de dekens en leg één van de kussens over mijn oren. Ik weet niet precies waarom maar ik weet wel dat ik het niet wil horen, ik wil de pijn van de vrouw niet voelen of horen. Maar door het kussen heen lijkt het geluid te versterken en ik lig verstijfd in bed, te luisteren naar het slagveld wat zich ergens onder mij bevind en maar niet stopt.

 

Ik probeer een boek te lezen, weggedoken op een van de banken in de recreatiezaal. Richard had mij aangeraden niet meer te tekenen. ´Het dwangmatige ervan Jolie, laat zien dat het niet gezond is. Probeer een boek te lezen, zet het van je af. De dromen zijn niet echt, ze vertellen je niets.´

Dus dat probeer ik nu. Het is grijs weer, het regent af en toe en ik wacht op het moment dat de regen voorbij is en ik weer naar buiten kan. Het witte van het gebouw beneemt me de adem en ik verlang naar het park.

Dan zie ik hem de recreatiezaal binnenkomen en opeens vind ik het maar belachelijk dat we elkaar alleen zien als we alleen zijn of in het holst van de nacht. We zijn toch gewoon volwassenen die normaal met elkaar kunnen omgaan. Daarbij, als hij wil dat ik Rob verlaat moeten we toch eens serieus praten. Ik ben het ook wel zat om in een boek te staren en al in geen uren een normaal gesprek te hebben gehad. Ik sta op van mijn stoel en loop op hem af. Hij is gaan zitten aan een tafel waar een paar mannen samen schaken. Hij kijkt geconcentreerd naar het spel, zoals altijd met zijn capuchon op. Aangekomen bij de tafel steek ik even knullig mijn hand op. ´Hoi,´ zeg ik verlegen.

De mannen die aan het schaken zijn kijken even op en knikken mij toe. Hij kijkt mij niet aan.

´Hoi,´ zeg ik nog een keer, nu iets harder.

Dan kijkt hij langzaam op en ik zie zijn ogen die anders lijken dan voorheen. Ze lijken leeg en herkennen mij totaal niet. Hij knikt even en kijkt dan weer naar het spel. Opeens word ik kwaad, hij doet gewoon alsof hij me niet herkent. Dat is toch onbeleefd?!

´Ja hallo, doe nou niet alsof je me niet kent,´ bries ik kwaad en ik gooi het schaakbord opzij zodat geen van de mannen nog weg kunnen kijken.

Hij kijkt mij verbaasd aan. ´Wat doe je?´ vraagt hij verbaasd.

Zijn stem klinkt zo anders dan normaal, wat is er toch aan de hand?

´Waarom doe je alsof je me niet kent?´ herhaal ik weer, drammerig nu.

Ik duw de tafel opzij en de mannen deinzen achteruit terwijl ik naar hem toe loop. ´Waarom doe je alsof je me niet herkent?´ blijf ik maar herhalen.

Ik ben nu dichtbij hem en sla mijn armen om zijn nek.

Hij deinst terug en roept weer verbaasd uit: ´wat doe je?´

We lijken dezelfde woorden maar te herhalen, hopende dat de ander het uiteindelijk wel zal begrijpen. ´Waarom doe je alsof je me niet herkent?´

Ik probeer hem te zoenen en in paniek draait hij zijn hoofd weg en duwt mij weg.

Maar ik ben nu zo boos dat hij me afwijst dat ik besluit dat hij er niet zo makkelijk af komt. Ik sla weer mijn armen om zijn nek en probeer hem te zoenen, steviger nu.

´Wat doe je?´

Hij probeert mij van zich af te duwen maar het lukt hem niet, ik ben veel sterker.

´Waarom doe je alsof je me niet herkent?´

´Help!´ schreeuwt hij uiteindelijk uit en ik hoor mensen om mij heen die om hulp beginnen te roepen. Maar ik wil een antwoord op mijn vraag.´Waarom herken je me niet?´

´Waar heb je het over?!´ roept hij uit. ´Wat doe je? Stop!´

Eindelijk krijg ik zijn lippen te pakken maar ze smaken niet hetzelfde. Dan bijt hij me en ik schreeuw het uit van woede. ´Ontken het niet! Waarom doe je alsof je me niet herkent?!´

Sterke armen grijpen me vast en rukken me weg. Ik sla en schop om mij heen en schreeuw het uit. ´Waarom herkent hij mij niet!´

In de worsteling voel ik een gemene prik ergens in mijn bovenarm en binnen een paar seconden voel ik me wegglijden in de witte mist.

In de witte mist zie ik mijn moeder, glimlachend omhelst ze mij.

´Zijn we samen eindelijk gevangen in dezelfde staat van niet-weten,´ fluistert ze mij toe en woelt door mijn haar. Ik verstop mij in haar omhelzing, haar borsten zijn warm en troostend. Ik voel me eindelijk even veilig.

 

´Jij dacht dus dat jullie een relatie hadden?´ vraagt Richard me.

Ik zit met hoog opgetrokken knieen op zijn witte bank, mijn armen om mijn knieen geslagen. De schaamte en verwarring zijn nog steeds overweldigend en stom knik ik.

´Jolie, begint het tot je door te dringen hoe ver weg je bent gezakt in die droomwereld van je?´

Weer knik ik stom en de wanhoop drukt op mijn borst. Hoe moet het nu verder?

De dagen lijken voorbij te glijden, allemaal in hetzelfde nietszeggende patroon. Ik zit hier vrijwillig en heb aangegeven dat ik niemand wil zien, ook niet mijn man of kinderen. Ik wil hier langzaam, stilletjes doodgaan en vergeten worden. Met Richard praat ik nauwelijks meer en ook in groepssessies doe ik mijn mond niet open. Er valt niets meer te zeggen. Ik begin langzaam te verdwijnen, in stilte zonder dat iemand het opmerkt. Op een gegeven moment zullen ze omkijken en beseffen dat er alleen nog maar een hoopje kleding op de stoel ligt, de rest is verdwenen.

Maar dan gebeurt het, zomaar opeens op een woensdagmiddag. Terwijl ik in het park op een bankje zit en naar de bomen om me heen staar en probeer voor te stellen dat ik langzaam oplos in de lucht gebeurt het. Het komt terug, niet als een droom of nachtmerrie, gewoon op klaarlichte dag. Meer als een soort visioen. Met open ogen zie ik het voor me gebeuren en ik weet zeker dat het waar is. Dat dit het gat in mijn geheugen heeft veroorzaakt en dat dit is wat ik altijd heb willen vergeten.

 

Ik ben vier of vijf jaar oud en ik zie mijn moeder aan tafel zitten, een groot broodmes ligt voor haar op het tafelblad. Ze staart ernaar met wijd opengesperde ogen. Naast het mes staat een fles wijn die leeg is en een halfleeg glas. Ze heeft zichzelf moed ingedronken.

Zonder mij aan te kijken zegt ze: ´Ga naar je kamer Jolie.´

Ik draai me om maar ik wil niet weg. Ik kijk naar mijn moeder en zie dat zij niets meer ziet dan het mes op de tafel. Ik sluip door de woonkamer op zoek naar een verstopplek. Dan zie ik de kast. Ik ben nog klein, kleiner dan de meeste meisjes van mijn leeftijd en ik pas in de kast onder al het linnen. Ik sluit de kast niet helemaal zodat ik een kiertje heb om doorheen te kijken. Ik zie mijn moeder opschrikken als ze de auto van mijn vader hoort op de oprijlaan. Haar ogen jagen mij angst aan en ik vrees te weten wat ze gaat doen maar ik weet niet hoe ik het moet stoppen. Moet ik mijn vader niet waarschuwen?

Mijn vader draait het slot van de deur open en loopt de gang in. Mijn moeder staat langzaam op en draait zich naar de kamerdeur toe. Daar zal hij over een paar seconden doorheen komen. Het lijkt eeuwen te duren terwijl het waarschijnlijk maar een paar seconden waren maar dan opent hij de deur en kijkt met verbazing naar zijn vrouw die met woeste ogen op hem afstormt, een groot broodmes in haar handen. Ik geef geen kik als het gebeurt, net als mijn vader. Hij kijkt alleen verbaasd naar mijn moeder en haalt gorgelend adem terwijl zij het mes meerdere keren in hem steekt en er weer uittrekt. Hij zakt langzaam door zijn knieeen en met mijn hand voor mijn mond geslagen stromen de tranen over mijn wangen. Mijn moeder en ik kijken beiden toe hoe hij langzaam neerzakt op de vloer, op zijn knieeen en dan voorover valt met zijn gezicht op de vloer. We wachten kalm totdat hij niet meer ademt na een paar laatste stuiptrekkingen.

 

Hijgend zit ik op het bankje en ik kan bijna niet bevatten wat ik zojuist zag. De beelden rollen zich nog steeds uit als een video voor mijn ogen. Mijn moeder die hijgend en zuchtend het lichaam naar buiten sleept. Ik wacht totdat ze eindelijk het lichaam buiten heeft, dan glib ik de kast uit en ren naar boven. Het bed is zacht en warm en ik sluit mijn ogen. Mijn enige gedachte is, een mantra die ik urenlang die nacht herhaal: ik wil vergeten wat ik zojuist zag. Ik sta op en ren naar binnen,

ik moet Richard vertellen wat ik uiteindelijk zag aan die andere kant van de sloot.

 

EPILOOG

 

Ik sta op een viaduct en staar naar de langsrazende auto’s onder mij. Ik leun tegen de reling van het viaduct en besluit dan dat het tijd is; het is klaar, ik heb rust nodig.

De reling is stevig en langzaam klim ik eroverheen. Ik blijf staan op het randje ver boven de snelweg onder mij en houd mij vast aan de reling achter mij. Ik staar in de diepte onder mij en fantaseer over hoe het zou zijn de sprong te wagen. Zal het pijn doen? Zal ik snel doodgaan? Wat komt daarna? Wat als ik in de hel terechtkom als die al bestaat? Ik staar voor me uit en sluit mijn ogen. Het geraas van de auto’s verdwijnt langzaam uit mijn oren en ik concentreer me op de lichte bries die over mijn wangen strijkt. Het zal een opluchting zijn als het eindelijk voorbij is. Dan laat ik de reling los achter me en stap naar voren de lucht in.

 

Met een schok zit ik rechtop in bed naar adem happend. Het is een droom, het is maar een droom herhaal ik zachtjes voor mij uit fluisterend. Ik val weer terug in het zachte matras en staar naar het plafond.

 

Lieve,

 

Wat heb ik je door een hel laten gaan. Het spijt me. Ik hoop dat de brieven een beetje geholpen hebben maar ik snap het als je het mij niet kan vergeven. Ik kies voor jou, voor dit leven en deze wereld. Ik wil weg uit die droomwereld, een soort parallelle wereld waar ik alsmaar in mee wordt gezogen en waar het voor mij niet meer duidelijk is wat echt is en niet. Dat wil ik niet meer, ik hoop dat ik daar van weg kan blijven. Ik wil met jou en de kinderen het fijne leven dat we eigenlijk altijd al gehad hebben maar wat ik soms moeilijk kon zien  of van kon genieten door de afleiding om mij heen. Ik snap nu waarom ik wilde vergeten en ik zal dat geheim voor altijd met me mee dragen. Ik weet nu dat ik geen schuld draag.

 

Ze staan op me te wachten bij de poort. Even blijf ik staan en sluit mijn ogen. Ik voel de zon op mijn gezicht, de weekendtas in mijn rechterhand en mijn handtas over mijn linkerschouder. In dit lichaam leef ik, in deze wereld besta ik. Dit is het enige wat ertoe doet. Dan open ik ze weer en loop hen tegemoet.