I do writing

&

De vloek van Santiago

Een dronken man vertelde mij over het bestaan van Ogaitnas terwijl we een biertje dronken aan de bar van een kroeg. Ik was jong en het was in de tijd dat men nog niet alles wist over de wereld. De aarde was nog niet zo klein als het nu is en hele dorpen en volksstammen lagen nog verborgen in het veilige en ondoordringbare groen. Kort gezegd, het was nog de tijd van voor de globalisering en het internet. Nu zou het geheime bestaan van Ogaitnas waarschijnlijk één van de meest bekeken posts op facebook zijn of de mooiste foto´s opleveren op Instagram. Maar toen ik hoorde over Ogaitnas bestond dat allemaal nog niet. Ik was jong en op reis door de wereld. Met een rugzak was ik de trein ingestapt zonder enig idee te hebben waar ik naartoe zou gaan en wanneer ik weer terug zou komen. Ik voelde me verloren maar tegelijkertijd had ik eigenlijk precies alles bij me wat ik nodig had.

Onderweg hoorde ik op een avond over het geheimzinnige Ogaitnas. Als een eenzame reiziger had ik geleerd in elke kroeg aan de bar te gaan zitten. Dat was de plek waar andere einzelgängers neerstrijken en altijd in zijn voor een praatje. Die bewuste avond raakte ik aan de praat met een oudere man. Aan zijn slissende toon en langzaam uitgesproken zinnen kon ik opmaken dat hij dronken was. Toch geloofde ik hem toen hij vertelde over de vloek van Ogaitnas. Ik weet niet meer precies hoe we erop kwamen, ik denk dat het was omdat het één van de eerste momenten was dat ik thuis miste.

´Het is carnaval nu thuis,´ legde ik aan de dronken man uit om mijn heimwee te verklaren

Hij knikte begrijpend. ´Hier vierden we ook ooit carnaval,´ antwoordde hij en ik keek hem verbaasd aan. ´Maar nu niet meer. Dat komt door de vloek van Ogaitnas.´

´Wat houdt die vloek in?´

De man vroeg me eerst nog een biertje voor hem te bestellen en toen vertelde hij over de carnavalstraditie van de omgekeerde wereld.

´Volgens onze traditie zetten wij tijdens carnaval de wereld op zijn kop, letterlijk; vrouwen worden mannen, kinderen worden ouders en ga zo maar door. Vier dagen lang speelt iedereen zijn rol en daarna gaat het leven weer verder zoals het altijd was. Maar het gekke is in één dorp in het land zijn ze erin blijven steken, Santiago. Alsof de magie van carnaval is blijven hangen daar, alsof ze vergeten zijn dat het ooit anders was. Daarom wordt het ook nog steeds Ogaitnas genoemd, Santiago lijkt niet meer te bestaan. Maar goed, nu we dus weten dat het mogelijk is dat carnaval voor altijd je dorp zou kunnen betoveren viert niemand het meer uit angst.´

Ik snapte er niets van en vond het maar een raar verhaal. Toch twijfelde ik geen seconde en vroeg ik hoe ik naar Ogaitnas kon gaan. De man nam een lange teug van zijn bier en schudde zijn hoofd.

´Niet zomaar. Het was altijd al een afgelegen dorpje maar nu is het helemaal moeilijk bereikbaar. Er is geen geasfalteerde weg of een echt pad, vooral met de terugweg moet je oppassen

Ik negeerde zijn bezorgde woorden. ´Ken je iemand die me erheen kan brengen?´ vroeg ik vastbesloten.

Hij zuchtte en staarde even naar het tafelblad. ´Tegen betaling wel,´ zei hij uiteindelijk. ´Maar pas op, het heet niet voor niets een vloek.´

En zo kwam het dat ik de volgende dag in de bus zat naar het eindpunt van de lijn wat volgens de dronken man de ingang was naar Ogaitnas. Daar zou iemand op mij staan wachten en me naar Ogaitnas brengen. Ik kon niet anders dan hopen dat de dronken man niet zo dronken was geweest dat hij zou vergeten diegene te bellen want tegen de tijd dat we gisteravond de kroeg verlieten was het al na middernacht. Ik had de ochtend met een lichte kater winkelend doorgebracht op zoek naar een kostuum. Want zoals de dronken man aangaf, ik kon alleen het dorp in als ik mee zou doen aan hun eeuwigdurende carnaval. Met een licht hoofd besloot ik in al mijn arrogantie dat ik het stereotype jonge jongen was; fris en vol levenslust, en daarom zou mijn tegenpool een oud mannetje zijn. In een klein winkeltje vond ik een grijze pruik, een opplak baard, een bril en een wandelstok. Ik had mijn meest nette broek en schone trui aangetrokken en hoopte dat ik op die manier zou kunnen doorgaan voor een oude man.

Reizen is een werkwoord in de meest letterlijke zin van het woord en je verplaatsen van één plek naar de ander kan vol obstakels zijn. In de maanden dat ik al onderweg was geweest had ik geleerd om me over te geven aan de onvoorspelbaarheid van het reizen. Ik was toch alleen, er was niemand die ergens op me wachtte. Dus was een vertraging hier en daar geen probleem. Maar nu ik wist dat er waarschijnlijk iemand op mij zou wachten was ik zenuwachtig. En toch leek de magie van Ogaitnas nu al te werken, alsof het wilde dat ik het dorp zou komen bezoeken en daarom er alles aan zou doen mij op zo een gemakkelijk mogelijke manier erheen te krijgen. Met andere woorden, de reis ging van een leien dakje. De bus reed op tijd weg en kwam op tijd aan en voordat ik al goed en wel was uitgestapt tikte er al iemand op mijn schouder die zei me naar Ogaitnas te zullen brengen. Geen moment dacht ik na over de woorden van die avond ervoor: het heet niet voor niets een vloek. Wie zou nou ooit denken dat er echt zoiets als een vloek bestaat?

Monter volgde ik de man die Luis bleek te heten en we verlieten de bushalte over een zandpad dat het bos in kronkelde. Eerst in stilte en daarna, toen eenmaal het verstrijken van de tijd en het op elkaar aangewezen zijn het ijs had gebroken, vrolijk kletsend volgden we het pad dat na een half uur lopen steeds moeilijker begaanbaar werd. Luis was gelukkig getrouwd en had vier kinderen, hij woonde in een klein huisje en werkte als meubelmaker op zijn eigen werkplaatsje in de tuin. Luis zijn broer was één van de inwoners van Ogaitnas vandaar dat hij me erheen zou brengen. Ik durfde niet te vragen naar zijn broer, het leek me ongepast en onnodig nieuwsgierig. Alles zou op zijn tijd duidelijk worden zei ik tegen mezelf.

Het pad werd steeds steiler en de begroeiing steeds dichter. Luis haalde een machete van zijn riem en begon de takken die ons de doorgang versperden weg te slaan. Uiteindelijk klauterden we over grote rotsblokken en bereikten het hoogste punt waarna we een even ondoordringbaar nauwelijks bestaand pad recht naar beneden volgden. Luis vertelde dat het pad er niet altijd zo had uitgezien, het leek alsof de vloek van Ogaitnas ook de natuur om het dorp heen had beïnvloed. Ik vroeg hem of de vloek echt bestond.

Luis knikte. ´De broer die ik kende bestaat niet meer dus voor mij is dat een vloek,´ legde hij uit en een beetje huiverig durfde ik niet te vragen wat hij daarmee bedoelde. Zou het dan toch waar zijn van die vloek?

Helemaal beneden aangekomen vonden we het zandpad weer terug en kwamen een half uur later zonder kleerscheuren aan bij de rand van het dorp.

´Doe je kostuum aan,´ zei Luis tegen me en nadat ik me de pruik en baard had aangemeten namen we afscheid.

Ik betaalde hem en omhelsde hem en toen was Luis verdwenen. Hij had me verteld dat iemand me daar zou ophalen dus wachtte ik geduldig. Even ging ik met mijn hand door mijn haar en besefte dat de pruik goed paste op mijn hoofd.

Vanaf de rand van het dorp leek er zo op het eerste gezicht niet veel raars aan Ogaitnas maar na een tijdje zag ik het opeens. De meeste huizen stonden nog rechtovereind met hun dak aan de bovenkant maar een heel rijtje nieuwe gebouwen was precies andersom gebouwd met de punt van het dak in de grond geboord. Het was een kleurrijk dorp met veel bloembakken aan de gevels maar gek genoeg wezen de bloemen naar beneden. Ik zag dat het zandpad onder mijn voeten was aangemerkt als autoweg terwijl het asfalt ernaast een groot voetgangersbord boven zich had hangen. Ik moest ervan grinniken, wat een lol moet men gehad hebben om dit te bedenken. Toen zag ik een vrouw mijn kant op komen. Ze droeg een lange bloemetjesjurk en haar lange haar glansde in het zonlicht. Pas toen ze dichterbij kwam zag ik dat het geen vrouw maar een man was. Ik herkende de harde kaaklijn en de net gescheerde wangen. Hij, of zij, glimlachte naar me en stak haar hand uit.

´Ik ben Rachel, welkom,´ zei ze en we schudden elkaar de hand. ´Mijn broer vertelde me dat je op bezoek zou komen.´

´Luis is je broer?´ vroeg ik verbaasd en ze knikte glimlachend.

´Je hebt je aan de regels gehouden, mooi kostuum. Houd alsjeblieft in gedachten dat voor ons het geen kostuums zijn. Bijna niemand herinnert zich meer hoe het ooit was.´

Ik knikte braaf en volgde Rachel het dorp in. Het meest opvallende in de straten waren de kale bomen in de plantsoenen terwijl het hartje zomer is. Blijkbaar was hier ook de natuur in de war over welk seizoen het nu was. Ik vroeg ernaar aan Rachel en ze haalde haar schouders op. Ze gaf het antwoord dat ik vaker te horen zou krijgen in Ogaitnas:

´wij herinneren ons niet meer hoe het hiervoor was dus voor ons is dit normaal, en verlopen de seizoenen bijvoorbeeld op deze manier. Bij de winter horen bloesems en bij de zomer kale takken.´

Op het dorpsplein gingen we een groot statig huis binnen. Rachel vertelde me dat ze hier woonde met haar familie. In de huiskamer wachtten ze op ons: Fiona, de vrouw van Rachel en een baby op haar arm die ze voorstelde als Robert met naast haar spelend op de grond Viola van zes jaar oud. Fiona glimlachte innemend naar me en leidde ons allemaal naar de keuken waar het avondeten op ons wachtte. Toen ik achterom keek zag ik dat Viola ons volgde. Alleen liep ze niet rechtop maar op handen en voeten. Ik moest maar aannemen dat dat normaal was voor haar. Het voelde raar om aan een tafel te zitten in een onbekende keuken met vreemden maar tijdens de afgelopen maanden van reizen was ik daar inmiddels aan gewend geraakt. De mooiste ontmoetingen gebeurden vaak op onverwachte momenten en plekken. Fiona zette het eerste gerecht op tafel: we kregen allemaal een grote coup met ijs, chocolade saus en slagroom. Ik lachte hardop.

´Jullie eten zelfs omgekeerd?!´ riep ik verrast uit en ze keken me verbaasd aan.

´Andersom?´ vroeg Viola in de war en ik besefte dat er voor haar niets normaler was dan deze manier van leven.

´Jullie wonen in een prachtig huis,´ merkte ik daarna beleefd op en Fiona glimlachte.

´Dit is het huis van de burgemeester en dat ben ik,´ vertelde Fiona me trots.

´Je bent burgemeester van een bijzonder dorp,´ zei ik tegen haar en ze knikte nog steeds trots.

´Mag ik vragen hoe jullie je kostuums kiezen. Is er een ritueel voor of zoiets?´

Ik kon aan haar gezicht zien dat ik het niet had mogen vragen maar ik was te nieuwsgierig en moest het weten.

´Voor ons zijn het geen kostuums maar als je het over de verandering hebt zoals wij dat noemen, is het meer iets wat op een natuurlijke manier gebeurt. Niemand is verplicht dat te doen en er is geen leeftijd voor, eigenlijk gebeurt het gewoon en voor ons is dat normaal,´ antwoordde ze me toen. Ik knikte begrijpend maar eigenlijk vond ik het meer een reclamepraatje dan een goede uitleg.

Na het ijs aten we een visschotel en daarna een bordje met luchtige carpacci. De volgorde beviel me eigenlijk wel goed en opeens vroeg ik me af waarom wij die in de rest van de wereld wonen het andersom doen.

´Mag ik vragen wat jullie verandering is?´

Even voelde ik een ijzige spanning in de keuken maar toen glimlachte Rachel naar me en knikte.

´Natuurlijk mag dat. Ik denk dat je wel kan raden dat ik ben veranderd van man naar vrouw. En Fiona heeft eigenlijk mijn baan overgenomen op het moment toen ik mijn verandering doormaakte. Ironisch genoeg bleek dat haar verandering te zijn.´

Fiona glimlachte net zo beleefd als Rachel maar ik voelde een spanning rondom de tafel hangen waar geen woorden aan werden gegeven. Ongemakkelijk aten we de carpaccio op en maakten soms grapjes over Viola die zowel met haar handen als voeten aan het eten was.

Na het eten staarde ik naar de lichtjes die het dorpsplein verlichtten en de mensen die vanuit alle steegjes mensen naar het licht toestroomden.

´Bijna elke avond dansen we op het plein hier buiten, heb je zin om mee te gaan?´ vroeg Rachel aan me. Ik knikte opgetogen, ik kon niet wachten om nog meer rare tegenstellingen te ontdekken.

Ik keek mijn ogen uit toen we het plein opliepen. Het viel me op dat Viola niet de enige was die op handen en voeten liep, het waren vooral kinderen die dat deden. Ik zag twee of drie mensen in een rolstoel waarvan ik vermoedde dat ze die eigenlijk niet nodig hadden en zelfs een vrouw op krukken terwijl geen van haar benen in gips waren gestoken. We kochten een paar biertjes aan de bar die midden op het plein staat en bijna riep ik de barvrouw terug maar besefte toen dat het zo moest zijn; bier in wijnglazen en wijn in bierglazen. Leunend tegen de bar keek ik naar Rachel en Fiona die samen dansten. Ik vroeg me af of Fiona nog kon houden van Rachel nu ze een vrouw was. En zou Rachel er ooit wrokkig over zijn dat Fiona haar baan had overgenomen? Op een hoek van de bar ontdekte ik een groepje jonge jongens die hun haar hadden afgeschoren maar niet alleen dat, ook hun wenkbrauwen en wimpers en baard. Naast hen stond een meisje van een jaar of zeventien. Verlegen keek ze naar de groep kale jongens en ze leek zich af te vragen hoe ze hun aandacht kon trekken. Haar uitgelopen make-up en rechtopstaande haar leek mij wel genoeg maar in dit dorp was dat misschien helemaal niet opvallend.

Toen zag ik haar aan de kant van de bar. Ze viel op omdat ze er niet speciaal uitzag. Er was niets anders aan haar; gewone bruine ogen en lang donker haar. Ze keek me even recht aan maar toen ik naar haar glimlachte keek ze weg en ik besefte dat ze me zag als een oude man en niet de jonge jongen die ik was. Even dacht ik erover om mijn pruik af te doen maar het leek me respectloos naar de rest van het dorp. Ik staarde nog een tijdje naar haar voordat Rachel en Fiona me de dansvloer op trokken. Wat zou haar verandering zijn? Maar er was niet meer tijd om erover na te denken en de rest van avond dansten we uitbundig.

De volgende ochtend werd ik wakker in het statige burgemeestershuis. Het bed was  zacht en comfortabel en gelukzalig staarde ik naar het plafond. Dit dorp was één van de meest interessante plekken die ik tot nu toe had bezocht en ik had zin in de nieuwe dag. Maar toen ik opstond deed mijn rug pijn en met moeite kreeg ik mijn benen van de bed naar de grond geschoven. Ik was de vorige avond zo moe geweest dat ik mijn kostuum niet eens had uitgetrokken. Met moeite schuifelde ik naar de spiegel en keek naar mezelf. Even dacht ik dat ik echt in een oude man was veranderd, mijn ledematen leken in ieder geval te denken van wel. Er was een warme douche voor nodig om mijn lichaam weer een beetje soepel te krijgen maar nog steeds kreupel liep ik naar beneden om bij het ontbijt aan te schuiven. Rachel en Fiona begroetten me opgewekt en Viola glimlachte vrolijk naar me maar toch voelde de sfeer anders toen we in stilte ontbeten. Waar ik gisteravond nog opgewonden en nieuwsgierig was toen ik op mijn bed neerplofte voelde ik die ochtend weer de ijs in de lucht en het bezorgde me rillingen over mijn rug die ook nog steeds pijn deed.

´Kan het zijn dat ik in een echte oude man verander?´ vroeg ik ongerust en lachend tegelijk aan Fiona.

Maar ze stelde me niet helemaal gerust. Ze glimlachte alleen beleefd en haalde haar schouders op.

´Als het voor jou alleen maar een kostuum is lijkt me dat nogal onmogelijk,´ antwoordde ze alleen maar.

Ook al voelde mijn lichaam nog steeds stijf aan, toch besloot ik door het dorp te wandelen. Fiona moest aan het werk en Rachel bracht Viola naar school en dus slenterde ik in mijn eentje door de straten. Een tijdje staarde ik naar de omgekeerde bloembakken die aan de gevels van huizen hingen. De bloemen zagen er echt en gezond uit. Ik vroeg me af of er iemand was die alle dagen stiekem de bakken omkeerde en ze ´s nachts gewoon omhoog liet staan. Maar dat verklaarde dan nog niet de kale bomen. Misschien werd het tijd om de magie in dit dorp te accepteren. Het dorpsplein lag er verlaten bij. Het was elf uur ´s ochtends en het leek erop dat ik de enige was die niet iets had om zich mee bezig te houden. Toen zag ik echter dat ik niet alleen was. Op één van de bankjes zat het meisje dat ik gister aan de bar had gezien. Ik herkende de bruine haren die over haar schouders vielen en weer vergat ik mijn kostuum. Opgewekt ging ik naast haar zitten en ze keek me verward aan.

´Wie ben je?´ vroeg ze me.

´Marco, ik ben bezoek in Ogaitnas. Hoe heet je?´ Toen ik zag dat ze nog steeds een beetje bang voor me was voegde ik eraan toe: ´dit is maar een kostuum, kijk.´ Ik haalde de pruik van mijn hoofd en trok de baard er half af. Langzaam glimlachte ze.

´Nu zie ik het. Je ogen zijn nog jong.´

´Klopt, ik ben pas twintig.´

Ze stak haar hand naar me uit. ´Ik ben Marina.´

´En wat is jouw verandering zoals ze dat hier noemen?´ vroeg ik geïnteresseerd. 

Ze lachte en schudde haar hoofd. ´Geen enkele. De magie lijkt geen effect op me te hebben. Eerst vond ik dat heel erg, ik ben zo ongeveer de enige in het hele dorp. Maar eigenlijk vind ik het wel goed. Stel je voor dat ik gehandicapt zou worden zonder enige reden? Dat is toch raar?´

Haar stem klonk sprankelend helder en jong en haar grote bruine ogen fonkelden. We keken naar een paar voorbijgangers.

´Herken je gelijk wat er anders aan ze is?´ vroeg ik aan Marina en ze knikte.

´Die vrouw is bouwvakker, dat meisje heeft geen bril of beugel nodig en die man achter hun is operazanger terwijl hij helemaal niet kan zingen.´

´Dat meen je niet?!´ riep ik uit en we lachten hard.

´Hoe zie je eruit zonder dat belachelijke oude mannetjes kostuum?´ vroeg ze me.

´Normaal. Donker kort haar en geen rimpels,´ antwoordde ik grijnzend. Ze knikte maar zei er verder niets over. Ik wilde haar zoenen maar ze leek afwezig en over iets na te zitten denken.

´Waarom ga je hier niet weg? Je lijkt hier niet te passen,´ vroeg ik aan haar.

´Waar heen dan? Het enige wat ik ken is dit rare dorpje en alle mensen die ik ken wonen hier.´

´Zo ben ik ook opgegroeid en toch besloot ik de wereld over te reizen. Er is zoveel meer buiten dit ene dorpje waar jij je eenzaam voelt,´ merkte ik op en ze glimlachte triest naar me.

´Misschien, ooit zal ik het durven.´

Ik gaapte lang en uitgebreid en was verbaasd over hoe moe ik me voelde. Moeizaam stond ik op en vroeg haar of ze hier vanmiddag weer zou zijn. Ze knikte en zei dat ze niet veel beters te doen had dan hier zitten.

´Ik wacht hier op je,´ zei ze.

De terugweg naar het burgemeestershuis was kort, het lag maar aan de andere kant van het plein. Maar mijn benen leken nauwelijks vooruit te komen en opeens voelde de wandelstok die ik de dag ervoor voor de grap had gekocht, als cruciaal om overeind te kunnen blijven. Aangekomen in mijn kamer kon ik niet eens meer de moeite nemen om mijn kleding uit te trekken. Ik viel recht voorover neer op het bed en viel in een droomloze slaap.

Pas toen het al donker was werd ik weer wakker. Mijn buik rommelde van de honger en nog steeds moeizaam stond ik op. Onvast op mijn benen schuifelde ik naar de spiegel en keek met afgrijzen naar mezelf. Langzaam drong de realiteit tot me door. Mijn pruik zat scheef op mijn hoofd maar het haar op de zijkant van mijn schedel was volledig grijs en dun geworden. Ook mijn huid had niet meer jonge glans van een twintigjarige maar had een grijzige waas over zich en ik had meerdere rimpels rondom mijn ogen en mond. Ik wilde het uitschreeuwen van schrik maar er kwam niet meer dan schor gerochel uit. In paniek probeerde ik zo snel mogelijk met mijn wandelstok de trap af te dalen.

´Lekker geslapen? Wil je wat eten?´ vroeg Fiona toen ik eindelijk de keuken had bereikt.

Ik schudde mijn hoofd en wees naar mezelf. ´Zie je het dan niet? Kijk, ik heb geen kostuum meer nodig! Ik verander in een oude man. Wat gebeurt er?´

Fiona glimlachte medelijdend. ´Wat had je dan gedacht? Dat dit dorp een attractie is waar je zonder consequenties gewoon doorheen kunt lopen en ons kunt uitlachen? Waarom dacht je dat de magie geen effect zou hebben op jou? Dacht je dat wij dit vrijwillig doen? Dacht je dat ik er blij mee was toen mijn man een vrouw werd? En er ook nog van mij verwacht werd van hem te houden?!´ ze schreeuwt nu naar me. ´Dacht je dat ik deze baan wilde of een kind dat erbij loopt als een hond?!´

Geschrokken zette ik een paar stappen achteruit. Het rood aangelopen hoofd van Fiona was angstaanjagend. Maar binnen een paar seconden was de woede verdwenen en lachte ze weer beleefd naar me.

´Accepteer het, dit is je lot nu. Waarom anders ben je hier?´

´Dus er is niets aan te doen?´ vroeg ik wanhopig.

´Waarom zou je dat willen? Misschien is het leven wel beter zo. Ik had ook nooit gedacht dat ik het leven als burgemeester leuk zou vinden maar dat bleek toch wel zo zijn.´

Met afgrijzen luisterde ik naar haar en woedend draaide ik me om. Ik snapte niets van wat er gaande was maar het enige waar ik zeker wist was dat ik hier zo snel mogelijk weg moest. Ik twijfelde nog even maar besloot dat ik geen tijd had te verliezen en dat het veel te lang zou duren om de trap weer op te klimmen en mijn spullen te pakken. Mijn handen trilden toen ik de deur opende, ik was opeens doodsbang voor dit dorp geworden.

Eenmaal buiten keek ik om me heen en zo snel als ik kon schuifelde ik door de straten op zoek naar de het pad waarover ik Ogaitnas binnen was gekomen. De straten voelden ondanks de verlichting donker aan. Ik vermeed het anderen aan te kijken, na het onverwachte en kwaadaardige gedrag van Fiona vertrouwde ik niemand meer. Het eerste pad dat ik volgde liep dood op een ondoordringbare jungle, daar was geen doorkomen aan. Zwaar hijgend nam ik de volgende straat maar ook die liep uit op hetzelfde ondoordringbare struikgewas.De derde en vierde straat waren net zo onbegaanbaar en toen waren er geen straten meer over. Half rennend en ondertussen struikelend over mijn voeten bereikte ik het dorpsplein weer. Marina had beloofd hier ´s middags op me te wachten en het was nu al zeker een uur of acht ´s avonds, toch hoopte ik wanhopig dat ze er nog steeds zou zijn. Maar op geen van de bankjes zag ik haar. ´Marina!´ schreeuwde ik in paniek om me heen. Zij was nog de enige die mij kon helpen, daar was ik van overtuigd. Ik klampte een voorbijganger aan en vroeg haar waar Marina woonde. Maar hij haalde zijn schouders op en liep gewoon door. De tweede man vroeg me naar haar achternaam maar die wist ik niet en dus liep hij door. Aan de derde voorbijganger vertelde ik dat Marina één van de weinigen was die geen verandering had doorgemaakt en ze leek te weten over wie ik het had.

´Die woont in de Boerenstraat. Dat is hier links en dan nummer 3 aan uw rechterhand.´

Ik bedankte haar en probeerde zo snel als ik kon de straat te bereiken. Struikelend over mijn voeten viel ik twee keer. De tweede keer viel de bril van mijn neus maar toen ik opstond was de wereld om me heen wazig en onscherp geworden. Snel deed ik mijn bril weer op en constateerde eerst opgelucht dat ik nog kon zien en daarna vol afgrijzen dat ook mijn ogen nu echt oud aan het worden waren. Het verouderingsproces leek met de minuut sneller te gaan. Gelukkig vond ik het huis met nummer drie op de gevel, het bleek één van de huisjes te zijn waarbij het dak de grond raakte en het fundament de lucht. Ik drukte lang op de bel. Een oudere mevrouw deed open en ik vroeg haar naar Marina. Ze keek me verbaasd aan maar mijn oude mannetjes uiterlijk kon met geen mogelijkheid een bedreiging zijn en dus riep ze Marina naar de deur.

Marina keek me chagerijnig aan. ´Waar was je vanmiddag?´

´De vloek rust nu ook op mij Marina. Ik wordt echt oud!´ riep ik met krakende stem uit.

Ze schrok toen ze mijn paniekerige ogen zag en trok me het huis binnen. Ik legde haar uit over de veranderingen en liet haar mijn haar zonder pruik zien en wees naar de rimpels in mijn gezicht.

´Ik ben pas twintig! Help me! Ik moet hier weg!´

´Ssstt,´ antwoordde Marina terwijl ze een vinger op haar lippen legde. ´De enige manier dat we hier wegkomen is dat niemand ervan af weet. Weet je nog dat je me vroeg waarom ik hier niet wegging? Toen loog ik tegen je. Ik wil hier al zolang ik me kan herinneren weg maar de vloek houdt me tegen. Alle dagen weer verandert de plaats van de uitgang van  dit dorp. Niemand heeft dat door want niemand wil hier weg behalve ik.´ Ze dacht even na en zei toen: ´Wacht hier, ik ben zo terug.´

Ze verdween door een deur en na een paar minuten was ze weer terug met een rugzak in haar handen.

´Laten we gaan.´

Ze ondersteunde me terwijl we ons weer naar de rand van het dorp begaven.

´Hier ben ik al geweest,´ sputterde ik tegen maar Marina luisterde niet. Ze liet mijn arm los en dook het struikgewas in. Ik hoorde taken kraken en Marina van pijn Au! uitroepen. Maar een paar seconden later rolde ze het struikgewas weer uit. Als ik niet zo bang was geweest zou ik gelachen hebben.

´Dit was toch niet de uitgang.´

Bij de volgende poging aan het einde van de tweede straat sprong ze er weer in en dit keer hoorde ik minder gerommel en gekraak. Ik zag haar niet toen ze tegen me zei:

´Hier is het. Spring erin. Het zal een beetje pijnlijk zijn maar het moet,´

De takken schramden mijn gezicht en stekels gingen door mijn broek en trui. Het duurde een paar meter duwen en trekken van Marina en toen opeens stonden we op een pad.

´Huh?´ riep ik verbaasd uit en Marina grijnsde naar me.

´Achter één van de struikgewassen ligt altijd een pad maar je weet nooit welke dat za zijn. Laten we gaan

Eerst ging het nog moeizaam en betwijfelde ik of ik het ooit zou redden, of ik ooit weer normaal zou worden of dat het zo zou blijven. Maar gaandeweg voelde ik me weer beter. Ik voelde de eerste veranderingen na een uur lopen. Mijn bril was ik verloren in het struikgewas en langzaamaan was mijn zicht zich weer gaan verbeteren. Nog een half uur later kon ik de wandelstok achter me laten en nog een tijdje later merkte Marina op dat mijn haar niet meer grijs was. Tegen de tijd dat we eindelijk bij het volgende dorp aankwamen kon ik weer rechtop lopen en had ik dezelfde energie als de dag ervoor.

´Dat is de vloek van Santiago,´ zei Marina alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

Het was allang midden in de nacht maar toch was er nog een klein restaurantje open. We bestelden een fles wijn en heel veel eten. Het biefstuk, de patat en een grote salade smaakten goed en opgelucht dronk ik twee glazen wijn achter elkaar. Ik kon me niet meer voorstellen hoe ik de avond ervoor zo gelukzalig naar bed was gegaan in dat enge dorp.

´Wat ga je nu doen?´ vroeg ik aan Marina.

´Eerst maar eens een nacht goed slapen en dan begint morgen mijn wereldreis zoals jij voorstelde.´

Ik lachte. ´Deze ervaring heeft jou wereldreis doen beginnen en die van mij eindigen. Ik verlang opeens heel erg naar huis en ben er wel even klaar mee.´

Marina lachte ook en we toasten op haar nieuwe avonturen. Boven het restaurantje was een klein hostel waar we een kamer boekten. We sliepen in elkaar armen in hetzelfde bed alsof we elkaar al lang kenden. Maar ik wilde haar niet meer zoenen, Ogaitnas had mijn gevoelens jegens Marina uitgewist.

De volgende ochtend namen we afscheid en ik vertrok weer naar huis. Ik wist het zeker; ik zou nooit meer op reis gaan en ik zou nooit meer carnaval vieren.