I do writing

&

De dromenvanger

**

 

De gangen van het hotel zijn lang met aan beide kanten na elke meter een deur. Ik neem niet de tijd om naar de gouden nummers op de deuren te staren, ik ren zo snel als ik kan door de gangen. Het is een sjiek hotel met dik rood tapijt op de grond en grote kroonluchters aan het plafond die de hal verlichten. Ik ren door de lange gangen waar geen eind aan lijkt te komen, roepend om haar: “Sara, Sara!”

Het maakt niet uit of ik links of rechts af sla, elke keer volgt er weer een eindeloze gang. Ik klop op de deuren van de hotelkamers en vraag aan alle gasten of ze een klein meisje van ongeveer 1 meter 20, met donkerbruin krullend haar en grote blauwe ogen hebben gezien. Niemand heeft haar gezien en dus ren ik weer verder, gang na gang. Mijn hart heeft moeite het bloed door mijn lichaam te pompen en al mijn ledematen protesteren tegen de inspanning. Kleine straaltjes zweet stromen gestaag vanaf mijn nek naar beneden. Toch blijf ik doorrennen, kloppend op elke deur. Voor de zoveelste keer volgt een nieuwe gang en opeens struikel ik bijna over een schoonmaakkarretje dat wordt voortgeduwd door een vrouw.

“Wow meisje, rustig aan!” roept ze naar me. Hijgend stop ik en leun tegen de muur. “Vanwaar zo een haast meisje?” vraagt de vrouw me.

Ze draagt een typisch klassiek uniform wat men honderd jaar geleden ook al in hotels droeg, met een wit schort voor en een zwarte rok. De tijd lijkt in dit hotel stil te staan.

“Ik zoek mijn zusje, ze is een paar dagen geleden verdwenen maar ik kan haar niet vinden.” vertel ik haar, nog steeds buiten adem.

De vrouw komt mij bekend voor, ik ken haar ergens van. Het is mijn oude basisschool lerares, ik herken haar aan de moedervlek op haar linkerwang waar altijd één of twee haartjes uitgroeiden. Als kind was ik daar eindeloos gefascineerd door. Sinds wanneer is juf Kiki van baan veranderd?

Juf Kiki lijkt mij niet te herkennen en schudt haar hoofd: “ik heb geen klein meisje gezien. Maar een van onze gasten verblijft hier al maanden en zij kent alle gasten hier. Als er iets gebeurt in dit hotel weet zij er alles vanaf. Kom, ik breng je naar haar toe.”

Juf Kiki pakt mijn arm in haar ene hand en duwt met de ander het karretje voor zich uit. Het karretje is gevuld met allerlei schoonmaakspullen; vuilniszakken, schoonmaakmiddelen, doekjes en sponsjes. Op alle doekjes staat een logo afgebeeld, waarschijnlijk van het hotel. Ik kijk naar het logo maar vergeet gelijk weer wat ik zie.

Ik loop met Juf Kiki hand in hand, net als vroeger, maar nog steeds om me heen kijkend op zoek naar Sara. Vanuit mijn ooghoek zie ik opeens een schaduw van achter naderen. Over de

rechtermuur van de gang kruipt een zwarte vlek steeds sneller naar ons toe. Ik draai me om, ik wil zien wie er achter ons loopt maar de schaduw is sneller en springt op mijn rug. Het brengt me uit evenwicht en een schreeuw van schrik ontsnapt uit mijn mond. Ik val en zie het dikke tapijt op me afkomen.

 

        **

 

Met een luide gil zit ik rechtop in bed. Ik kijk geschrokken om mij heen en zie mijn vertrouwde slaapkamer met dezelfde inrichting van een paar jaar geleden toen ik hier nog als scholier woonde. Op mijn schoot zit Charlie, de poes. Sinds ik weer in dit huis slaap springt ze vaker ’s nachts van de vensterbank op mijn bed. Ze kijkt me geschrokken aan en vraagt zich vast af waarom ik zo hard gilde. Ik kijk nog een keer om me heen om mezelf er van te verzekeren dat het echt maar een droom was en val weer terug in mijn vijandige bed dat me nachtmerries bezorgt. Charlie nestelt zich naast me en ik staar naar het plafond. Ik draai me eerst op mijn linkerzij en dan op de rechter maar kan de slaap niet meer vatten. De wekkerradio op het nachtkastje naast het bed geeft zes uur ’s ochtends aan. Ik besluit het op te geven en sta op. In een grote grijze trui met capuchon en een veel te wijde joggingbroek loop ik naar beneden. Mijn oudere broer Dimitri blijkt ook niet te kunnen slapen. Hij zit op de bank met een kop koffie, zijn knieën dicht tegen zich aan getrokken. Zijn donkere krullen omlijsten slordig zijn symmetrische gezicht. Vroeger was hij de mooiste jongen van de school waar iedereen verliefd op was. Zijn blauwe ogen staren in het niets en hij kijkt verward op als ik binnenkom.

“Kon je ook niet slapen?” vraag ik.

Hij schudt zijn hoofd. “Er spelen de meest verschrikkelijke scenario’s door mijn hoofd, ik durf bijna niet eens te gaan slapen.”

Ik knik. Ik snap wat hij bedoelt.

In de keuken zet ik water op en ga naast Dimitri zitten, wachtend op het fluitende signaal van de fluitketel. We zijn stil en staren voor ons uit, beiden verzonken in angstige gedachten. De woonkamer in ons ouderlijk huis is groot met een ruime zithoek aan de ene kant en een lange wand met glazen deuren aan de andere kant die uitkijken op de tuin. Vorig weekend was ik hier nog op bezoek, even moe van het drukke studentenleven, en duwde ik Sara op de schommel die helemaal achter in de tuin staat. In de stilte van deze vroege ochtend hoor ik haar nog schaterlachen op de schommel, haar korte donkere krulletjes lichten op in het waterige herfstzonnetje. Ze was geen seconde bang voor de hoogte en de snelheid op de schommel. Zou ze nu net zo onbevreesd en onbevangen zijn als altijd? Of zit ze ergens gevangen in een klein kamertje, sidderend van angst en roepend om haar moeder? Leeft ze nog? Ik huiver en probeer me te concentreren op Sara’s schaterlachen op de schommel en vraag me af of mijn droom van net een betekenis heeft. Wordt Sara gevangen gehouden ergens in een hotel? Probeert ze me dat te vertellen via een droom? Het water kookt, we schrikken van het snerpende gefluit en glimlachen naar elkaar.

“ Weet je nog hoe kwaad we waren toen mama ons vertelde dat ze zwanger was?” vraagt Dimitri me.

Ik glimlach. “Ja, we vonden mama veel te oud om nog een kind te krijgen. Ik was al achttien.”  “Papa was voor mijn gevoel nog maar zo kort overleden, ik kon niet geloven dat ze zo snel gewoon maar doorging met haar leven.”

Ik neem kleine slokjes van de hete thee. “Hm, het leek wel alsof ze gewoon had besloten een nieuw leven op te bouwen en haar oude leven achter zich te laten.”

“En nu is Sara mijn favoriete zusje, wie had dat gedacht,” grijnst Dimitri.

Ik lach. “Ja ja, vanaf haar geboorte was het voor mij een verloren strijd om de eerste prijs als favoriete zusje te winnen.”

Dimitri knikt quasi serieus. “ Ze heeft gewoon alle kwaliteiten om die prijs te winnen, daar kan zij ook niets aan doen.”

We lachen en zijn opgelucht, alles lijkt even normaal.

 

Mijn moeder en Albert, haar man, staan een uur later ook op. We ontbijten in stilte, onze bleke gezichten met donkere kringen rond de ogen spreken genoeg. We zeggen niet meer tegen elkaar dan ‘Mag ik de boter van je Laura?’ of ‘Wil je nog een beetje koffie Albert?’.

Elk kwartier schrikken we van het snerpende geluid van de telefoon. Mijn moeder staat de meesten van hen ter woord en ik hoor haar gebroken, schorre stem uitleg geven: ‘Nee er is nog geen nieuws, ze zijn hard naar haar op zoek.’ ‘Ja, Laura en Dimitri zijn hier. Ze zijn hier al sinds het gebeurd is.’ ‘Bedankt voor je belletje. Dank je wel. Doei.’

Ik staar naar mijn moeder en probeer me in stilte voor te stellen hoe het moet zijn voor haar. Voelt ze zich schuldig omdat ze maar vijf minuten te laat was op het schoolplein om mijn zusje op te halen, neemt ze het zichzelf kwalijk? Is ze kwaad dat niemand van de school heeft opgelet wie Sara ophaalde toen een vreemde donkere man met haar jongste dochter stond te praten?

 

**

 

Sinds Sara´s verdwijning komt de politie komt elke dag langs om ons op de hoogte te houden. Het is de vierde dag dat Sara verdwenen is en ook deze ochtend komt de politie langs. Het zijn elke ochtend dezelfde twee agenten maar ik vergeet steeds hun namen. De één heeft rossig haar en een lichte huid vol moedervlekken. De ander heeft een donker uiterlijk, Spaans of

Italiaans. Waarom ze precies elke ochtend langs komen weet ik niet want ze hebben tot nu toe niets nieuws te melden. “We doen er alles aan om Sara te vinden, er is een heel politieteam naar haar op zoek. Het signalement van de man is door het hele land verspreid.” hoor ik de rossige politieagent zeggen. Ik leun tegen de deurpost in de keuken en luister naar hun oppervlakkige verhaal waarmee ze proberen te verhullen dat de zaak uitzichtloos is en niemand weet waar Sara is.

Dimitri, Albert en mijn moeder luisteren geconcentreerd maar ik kan mijn gedachten er niet bij houden. Hoe kan het dat professionele agenten niets meer kunnen doen dan dit?

“Hoe groot schatten jullie de kans in dat ze nog gevonden wordt?” vraagt mijn moeder huilend. Ze huilt bij elke zin die ze uitspreekt.

“Ik zal eerlijk tegen u zijn. Met elk uur dat ze niet gevonden wordt, wordt ook de kans kleiner dat we haar nog zullen vinden mevrouw. Maar houdt moed, hoe klein de kans ook is, ik geloof dat we haar zullen vinden,” legt de agent met de donkere wenkbrauwen uit.

Albert slaat een arm om mijn moeder heen en wiegt haar heen en weer. Mijn broer staart met zijn staalblauwe ogen naar de rossige politieagent en lijkt hem te willen aanvallen, alsof het zijn schuld is dat Sara nog niet gevonden is.  

 

We brengen onze tijd door met dwalen door het huis, we verplaatsen ons van de bank in de woonkamer naar de tuin of de keuken. Soms zitten we naast elkaar en vult de stilte het huis, op zijn tijd doorbroken door nog meer telefoontjes van familieleden en vrienden die op de hoogte gehouden willen worden.

Nu Sara weg is het alsof we elkaar weer kwijtraken net als na mijn vaders dood. Sara bracht ons bij elkaar maar rukt ons nu ook weer uiteen. We praten nauwelijks met elkaar en durven elkaar niet eens aan te kijken, misschien wel bang voor de waarheid die in onze ogen weerspiegeld wordt.

Ik staar naar de klok en uur na uur tikt voorbij, waardoor de kans kleiner wordt dat Sara wordt gevonden. Elke beweging van de wijzer die een seconde weghaalt van de tijd die we hebben om haar te vinden snijdt door mij heen.

In de tuin zit ik op de schommel van Sara en zet met mijn lange benen af. Ik zwiep zo hard mogelijk naar voren en dan naar achter waardoor ik steeds hoger kom en mijn blonde haren in de wind wapperen. Hoe hoog ik ook door de lucht vlieg, de angst dat Sara misschien nooit meer terugkomt, laat me niet los. Uiteindelijk zit er niets anders op dan van de schommel op te staan, weer naar binnen te gaan en verder af te wachten.

 

De zus van mijn moeder, tante Vicky, zit in de woonkamer. Tante Vicky is tien jaar ouder dan mijn moeder en speelt altijd mijn moeders moeder in plaats van haar zus.

‘Nou en toen zei Jan dus tegen mij… He Laura, lieverd,’ midden in haar verhaal kijkt tante Vicky op als ik binnen kom lopen.

Ze staat op en omhelst mij stevig, ik voel haar dikke vlezige borsten tegen mijn borst aanduwen. Daarna gaat tante Vicky weer zitten en vervolgt haar roddelverhalen over onze familie, de buren of verre kennissen.

Ik luister naar de lege woorden van mijn tante. ‘Ja, en toen zei zij dus….Nou dat geloof je toch niet of wel?….Jan was het trouwens helemaal met me eens hoor…..ik heb haar even goed de waarheid gezegd.’

Mijn moeder zegt niets en luistert alleen knikkend. Ze kijkt mij met haar trieste ogen aan en hoort geen woord van haar zusters relaas. Tante Vicky’s stem galmt door de kamer onafgebroken en na een kwartier ben ik het zat.

‘Tante kunt u nu even uw mond houden! We zijn helemaal niet geïnteresseerd in uw roddelverhalen. Sara is verdwenen en dat is het enige wat ons nu bezighoudt. Dat snapt u toch wel hè?’ snauw ik venijnig naar haar, het is eruit voor ik er erg in had.

Tante Vicky was midden in een zin, haar mond hangt even nog open en ze kijkt mij verbaasd aan. Dan staat ze op en zoekt haar tas. Zonder mij aan te kijken antwoordt ze me: ‘ Laura, het enige wat ik probeerde was je moeder even wat afleiding bezorgen zodat ze niet alsmaar aan Sara hoeft te denken. Dat snap jij toch ook wel?’

‘Vicky, ga nou zitten. Laura bedoelde het niet zo onaardig,’ sust mijn moeder vermoeid. Ze kijkt mij boos aan en geirriteerd verlaat ik de kamer. Waarom zou mijn moeder in godsnaam tante Vicky nog willen aanhoren? Hoe kan het dat het leven voor mijn tante en anderen gewoon doorgaat, terwijl alles om ons heen stilstaat?

 

**

 

De gangen zijn eindeloos. Ik zweet over mijn hele lichaam en elke stap beneemt me de adem. Maar ik moet door en Sara vinden. Het hotel lijkt eindeloos groot want elke keer kom ik weer bij een gang die nieuw lijkt te zijn. Dan zie ik aan het eind van de gang juf Kiki staan. Ze staat voorovergebogen over haar schoonmaakkarretje en ik roep haar: “Juf Kiki!”

Ze gaat rechtop staan en kijkt om zich heen. Dan ziet ze mij en zwaait naar me. “Hé meisje, nog steeds op zoek naar je zusje?”

Ik knik. “Ja, je zei dat je iemand kende die alles wist over dit hotel?”

Juf Kiki knikt. “Ik breng je naar haar toe.”

Ze pakt weer mijn hand vast en leidt me door de gangen terwijl ze met haar andere hand het schoonmaakkarretje voortduwt. We stoppen voor een deur met nummer 341. Juf Kiki klopt op de deur en we wachten een lange tijd totdat de deur opeens open zwaait. Voor ons staat een oudere vrouw die weggelopen lijkt uit een jaren vijftig film. Gekleed in een lange zwarte glitterjurk met een stola gemaakt van bont om haar schouders, zuigt ze met haar donkerrode gestifte lippen aan een houder waar haar sigaret in is gestoken. Ze blaast een walm blauwe rook in ons gezicht uit en kijkt ons glimlachend aan. Verbaasd bedenk ik dat deze ouderwetse vrouw veel lijkt op mijn oma. Ze heeft dezelfde haviksneus, dunne, rechte lippen en dikke wenkbrauwen. Maar dat kan mijn oma niet zijn, die is al meer dan drie jaar dood.

“Waarmee kan ik jullie van dienst zijn? Je komt toch niet nu mijn kamer schoonmaken?”

Juf Kiki schudt haar hoofd. “Dit meisje is op zoek naar haar zusje. Ze denkt dat haar zusje ergens in het hotel is, ik dacht misschien weet jij daar iets van af?”

De vrouw gebaart ons binnen te komen. De kamer is donker en lijkt in niets op een doorsnee hotelkamer. De dikke rode gordijnen laten bijna geen licht door maar in het schemerlicht onderscheid ik een immens grote ruimte waar aan de ene kant een prachtig tweepersoons hemelbed staat en aan de andere kant een zithoek met ouderwetse zetels en ligbanken.

We nemen plaats op de zetels en de oudere vrouw maakt het zich gemakkelijk op één van de ligbanken. Ik schuif ongemakkelijk heen en weer op de zetel.

“ Ik ben helemaal vergeten mij voor te stellen, ik ben Antoinette en wat is uw naam?” vraagt ze me.

Ik glimlach even om haar chique woordkeus en stel mij voor: “Laura.”

Ze knikt en denkt dan even na. “Ik kan mij geen klein meisje herinneren dat ik hier heb zien rondlopen. Hoe zag ze eruit?”

Ik beschrijf Sara’s donkere krullen en lichte ogen. De vrouw denkt weer even na en schudt dan haar hoofd. “Weet u wat het is mevrouw Laura, dit hotel zit altijd vol met bijzondere mensen en er gebeuren hier altijd dingen waar een vreemd luchtje aan zit. Maar op het moment is het hier rustig. Er zijn vooral veel doorsnee gasten. Behalve nu ik eraan denk…….Er is een bijzondere gast waar ik over gehoord heb.”

Antoinette staat op zonder verder te vertellen en schenkt drie glazen met rode wijn in van een karaf die op een glazen tafel in de hoek staat. Ze geeft ons de glazen en we heffen ze even op naar elkaar. De glazen zijn duidelijk van het hotel, ze hebben hetzelfde logo als de doekjes waarmee juf Kiki schoonmaakt. Het is een logo van rode letters en ik ontwaar een naam dat begint met city.

 

Ik neem een paar kleine slokjes en vraag me af waarom zowel juf Kiki als mijn oma mij niet herkennen. Er is geen spiegel op de hotelkamer dus geen mogelijkheid om te zien of ik er misschien ook wel heel anders uitzie dan normaal.

Ik wacht totdat de vrouw verder vertelt. “ O ja ik was aan het vertellen… er is een gast hier die nog nooit iemand gezien heeft, heel apart. Ik heb van het personeel gehoord dat het een man is maar sinds hij ingecheckt heeft, is niemand de kamer in geweest of heeft de man nog gezien. De kamermeisjes leggen schone handdoeken voor de deur en zo wordt ook de roomservice bezorgd. Niemand weet wie hij is en waarom hij zich zo geheimzinnig in zijn kamer verstopt.

Misschien houdt hij daar wel iets verborgen. Maar ik waarschuw je, ik denk niet dat deze gast blij zal zijn als je hem bezoekt. Hij laat niet voor niets niemand binnen,” vertelt Antoinette opgewekt alsof het niet over de verdwijning van een klein meisje gaat.

We drinken in stilte de wijn verder op en ik vraag me af of er iets speciaals in zit want de hotelkamer draait langzaam om me heen en ik voel me ontzettend moe. De zetel zit opeens ontzettend comfortabel en mijn ogen vallen dicht. Langzaam verdwijnt de hotelkamer en de excentrieke Antoinette.

 

De wekkerradio laat opnieuw het ergerlijke tijdstip van half zes ’s ochtends zien. De kamer om mij heen is nog aardedonker en ik denk aan mijn droom. Had er niet iets op de wijnglazen gestaan? Ik probeer mij te herinneren wat. Misschien als de naam van het hotel op de glazen was gegraveerd, had ik op het internet kunnen zoeken of het hotel echt bestaat. Dan lach ik even, waarom zou een hotel uit mijn dromen ook echt bestaan?

Ik moet plassen en loop naar de badkamer. De spiegel laat mij een wit gezicht met donkere kringen rond de ogen zien. Wat had dit allemaal te betekenen? Ik glimlach naar mezelf in de spiegel en staar dan verstard naar mijn eigen tanden. Een donkere roodachtige waas ligt op mijn tanden alsof ik rode wijn heb gedronken. Ik durf niet te bewegen en de badkamer lijkt opeens helemaal niet zo vertrouwd meer. Het was toch wel alleen maar een droom? Even probeer ik mezelf er van te overtuigen dat ik gisteravond nog een glas rode wijn heb gedronken maar daar is niets van waar. Waar komt de rode waas op mijn tanden dan vandaan? Het felle licht van de badkamer schijnt op mijn tanden die er nu ongezond en een beetje bruin uitzien. Ik pak mijn tandenborstel en begin verwoed te poetsen om zo snel mogelijk het bewijs uit te wissen, het kan niet anders dan alleen een droom geweest zijn.

 

        **

 

Het schoolplein ligt er verlaten bij. Het is zaterdag en er is verder niemand. Het stenen muurtje dat het schoolplein omheind is hard en koud maar dat maakt niet uit. Het scenario speelt zich voor mijn ogen af op het schoolplein; de bel die het einde van de schooldag inluidt, de schooldeuren die opengaan en een zwerm van kleine mensjes uit laat vliegen. Er ontstaat een gekrioel van kinderen die lachen en naar elkaar schreeuwen en daarna spreidt de massa zich uit als de kinderen op zoek gaan naar hun ouders die aan de rand van het schoolplein op hen wachten. Sara rent ook richting de uitgang. Haar kleine rode rugzakje deint op en neer op haar rug, op haar spijkerbroek zitten grasvlekken van het voetballen ’s ochtends en haar trui vertoont  

wat chocolade vlekken van de pasta die mijn moeder die ochtend nog op haar boterhammen heeft gesmeerd. Ze lacht en zwaait haar vrienden en vriendinnetjes gedag. Dan kijkt ze om zich heen, op zoek naar het bekende gezicht van haar moeder tussen de andere ouders. Een lange man met donker haar en donkere ogen loopt naar Sara toe. Ze kijkt hem verbaasd aan, ze kent hem niet. De man heeft een lange bruine jas aan die reikt tot aan zijn knieën. Hij hurkt tegenover Sara en praat met haar. Hij biedt haar een snoepje aan en terwijl zij met haar kleine kindervingertjes het papiertje van het snoepje af peutert praat de man verder tegen haar. Dan stelt hij haar een vraag en kijkt haar afwachtend aan. Sara kijkt nog een keer om zich heen op zoek naar haar moeder en lijkt dan naar de man te knikken. Hij glimlacht en staat op. Sara laat haar hand vastpakken en samen lopen ze van het schoolplein af, langzaam zonder haast. Niemand van al die mensen kijkt de lange man en het kleine meisje na en ze lopen steeds verder weg tot ze op de hoek rechtsaf slaan en uit het zicht verdwijnen.

 

Ik ril in mijn dunne zomerjas, het is veel sneller herfst geworden dan iedereen gedacht had. Het miezert alsmaar een beetje en de wolken zijn zwaar en grijs. Ik ben het huis ontvlucht, de drukkende stilte en het idee van hopeloos afwachten totdat iemand mijn kleine zusje vind kon ik niet meer verdragen. Daarbij willen de gedachten aan mijn rode tanden van die ochtend maar niet verdwijnen. Ik ben gewoon het huis uitgestapt en gaan rondlopen totdat mijn benen mij naar het schoolplein brachten. Voor me zie ik de film afspelen waarin mijn zusje de hoofdrol speelt en spoorloos verdwijnt.

 

Mijn moeder belde mij ’s middags een paar uur nadat Sara verdwenen was, het was de enige keer dat ik huilde. De angst in mijn moeders gebroken stem en alleen het idee al dat mijn moeder in paniek kon raken beangstigde me. Ze was altijd zo sterk geweest zelfs toen mijn vader veel te vroeg stierf. Toen ik haar stem hoorde huilde ik, ook de uren daarna in de trein op weg naar haar toe. In de trein kon ik alleen maar denken aan hoe ik het afgelopen weekend bij hen was geweest en zoveel plezier met Sara had gehad. Samen een ijsje halen ook al was het al herfst, samen urenlang met barbies de meest dramatische verhalen naspelen. Toen ik die zondagavond op de trein stapte had Sara gehuild. Ze wilde helemaal niet dat ik weer wegging. Haar grote blauwe ogen vulden zich met tranen en ze wilde mijn hand niet loslaten. Ik had gelachen, haar kleine handje uit mijn hand losgemaakt en gezegd dat ik zo snel mogelijk weer terug zou komen. Nu voel ik me schuldig over ons afscheid. Ik had niet mogen lachen maar had haar zo lang mogelijk moeten knuffelen en vasthouden.

 

Daarna heb ik geen traan meer gelaten. De vermoeidheid en de angst zijn verlammend en de paniek is benauwend maar er komt geen een traan uit mijn ogen. Ik probeer het nu en knijp mijn ogen zo hard mogelijk dicht totdat er sterren verschijnen in het donker achter mijn ogen, hopende op de opluchting van een traan. Er gebeurt niets. Alleen de miezerige regen maakt mijn gezicht nat en de wind mijn neus koud. Ik knijp nog harder mijn ogen dicht en dan in een flits wordt het zwart achter mijn ogen gevuld. De sterren verdwijnen en maken plaats voor iets anders.

 

De hoteldeur voor mijn ogen, lijkt imposant en hoog boven mij uit te rijzen. Mijn hand hangt in de lucht, zweeft bijna. Dan zakt mijn hand en beweegt richting de deurklink. Die is goud, glanzend en ligt koel in mijn hand. Voordat mijn hand de deurklink omlaag duwt leg ik mijn oor tegen de deur om te luisteren. Aan de andere kant van de deur staat een TV aan, de hoge stemmetjes verraden dat een tekenfilm op staat. Meer laat de massieve deur niet door. Even twijfel ik en dan duw ik toch de deurklink omlaag en de deur zwaait langzaam open. Ik zie een kleine donkere gang en in het midden van de woonkamer waar de gang op uitkomt, staat de TV die de kleurige beelden van een film afspeelt. De woonkamer is net zo donker als de gang maar het licht van de TV schijnt in een halve cirkel voor zich uit. In die verlichte halve cirkel zit een klein meisje dat zich omdraait om te zien wie er binnenkomt. Haar donkere krulletjes bewegen met de draai van haar hoofd mee en ik herken de grote blauwe ogen. ‘Sara!’ schreeuw ik en strek mijn hand uit.

 

Mijn ogen schieten open en ik schreeuw nog steeds. Het harde stenen muurtje verschijnt weer onder mijn billen. Ik kijk om mij heen, op zoek naar het hotel wat er zojuist nog was. Maar waar de beelden ook vandaan kwamen, ze zijn verdwenen. Ik schreeuw weer, nu bewust en zo hard mogelijk: ‘AAHHHHH’

Mijn stem spoelt het schoolplein over en weerkaatst tegen de muren van de school maar er is niemand die antwoord geeft.

Vertwijfeld laat ik de beelden van zojuist weer opnieuw in mijn hoofd afspelen. Wat had dit te betekenen? Was het een visioen, ben ik helderziend?

 

Mijn moeder en Dimitri zitten op het terras in de achtertuin, diep weggedoken in hun jassen.

‘Waar was je?’ vraagt mijn moeder.

‘Op het schoolplein,’ zeg ik.  

‘O. wat deed je daar dan?’

Ik haal mijn schouders op en ga naast hun zitten. ‘Geen idee.’

We staren voor ons uit en ik vraag me af of ik moet vertellen wat er zojuist op het schoolplein gebeurde, maar wat gebeurde daar dan? Moet ik dan mijn dromen en de rode wijn er maar gelijk aan toevoegen? Maar zouden ze me geloven? Ik ril voor de zoveelste keer in mijn jas. Mijn moeder wrijft over mijn rug. ‘Het is koud hè, je hebt ook een veel te dunne jas aan Laura.’

Ik glimlach naar haar. ‘Ik had niet gedacht dat het zo snel koud zou worden, het lijkt alsof het gisteren nog zomer was.’

‘Tsja, soms verandert er onverwacht van alles,’ antwoord mijn moeder.

Ik probeer de woorden te vinden om haar over de verwarrende gebeurtenissen van de afgelopen dagen te vertellen maar de goede woorden komen niet.

 

’s Avonds in bed staar ik naar mijn mobiel waarvan het scherm oplicht in het donker. De namen van mijn vrienden in het telefoonboek van mijn mobiel schuiven langzaam aan mijn ogen voorbij. Ik durf niet te gaan slapen, bang voor nog meer dromen waarin ik op zoek ben naar Sara. Bang ook voor nog meer verbanden tussen de dromen en mijn echte leven die mij rillingen bezorgen. Ik staar naar de namen van mijn vrienden en vraag me af of één van hen mijn verhaal zou geloven. Een paar weten dat Sara verdwenen is en alle dagen sturen ze me bemoedigende sms’jes. Ze zijn bezorgd om mij maar zouden ze ook de gebeurtenissen in mijn hoofd geloven? Ik zucht en gooi mijn mobiel op de grond, ze zouden me voor gek verklaren.

 

**

 

Voor het eerst ren ik niet door de lange hotelgangen maar stap ik de hotellift uit die op de begane grond is gestopt. De lift opent zijn glanzende deuren die vast elke ochtend door schoonmakers wordt gepoetst totdat het zo glanst als nu. De lift komt uit in de lobby van het hotel binnen. Het is er druk, bij de receptie staat een rij om in te checken, obers en managers rennen heen en weer om van alles te regelen en in de lounge hoek zitten gasten met een whisky die in glazen met rinkelende ijsblokjes is gegoten. Mijn benen zijn zwaar en in plaats van te rennen krijg ik nauwelijks mijn ene been voor de andere. De uitgang van het hotel glanst me tegemoet hoewel die wel vijftig meter vanaf de lift ligt. De zon schijnt door de hoge glazen deuren van de uitgang en mijn benen proberen stap voor stap de uitgang te bereiken. De drukke obers stoten me aan en ik probeer groepjes gasten te ontwijken maar zowel mijn benen als de rest van mijn lichaam reageren moeizaam. Een paar keer val ik bijna en vangt iemand mij op. De uitgang komt tergend langzaam dichterbij maar ik moet het felle zonlicht bereiken. Ik moet zien wat er buiten is. Eindelijk is de uitgang binnen handbereik en de draaideuren schuiven mij naar buiten.

Het zonlicht doet pijn aan mijn ogen en ik wankel weer maar red toch de laatste treden buiten die naar de parkeerplaats leiden. Nog een paar meter meer en dan draai ik me om. Het is warm en ik zweet, het lijkt wel alsof het hotel zich in Zuid Spanje bevindt. Vanaf de buitenkant is het hotel een vierkante grijze blokkendoos waar niets bijzonders aan te zien is. De zon schijnt op het dak, waar grote rode letters samen de hotelnaam vormen. De afstand lijkt te groot om de naam duidelijk te lezen. Net als mijn benen lijken mijn ogen niet te willen reageren; Ik zie niets, alleen vage vormen. Ik probeer mijn ogen toe te knijpen om het zicht te scherpen en vaag verschijnen de letters voor mijn ogen. Mijn hoofd voelt licht en duizelig aan en ik wankel voor de zoveelste keer. Ik wacht en hoop op nog meer scherpte en dan net voordat ik weer dreig te vallen lichten de letters rood op: Hotel City Garden. De stenen parkeerplaats komt veel te snel dichterbij en ik beland met een harde klap op de grond.

 

Ik zit rechtop in mijn bed en staar verward rond in mijn donkere kamer. Een paar seconden vraag ik me af wat er zonet gebeurde maar zo gauw de beelden zich weer afspelen in mijn hoofd spring ik uit mijn bed en zet mijn laptop aan. Ik typ de hotel naam in op de zoekpagina: Hotel City Garden. Nog geen twee seconden later verschijnt een foto op het scherm die ik gelijk herken. De grijze blokkendoos met de grote rode letters op het dak en de parkeerplaats ervoor vult mijn donkere slaapkamer met blauwig licht en even twijfel ik nog. Hoe groot is de kans dat het klopt? Is het zeker dat Sara zich daar bevindt? Of speelt mijn eigen geest gemene spelletjes met me?

Dan besluit ik dat het niet uitmaakt of men mij niet gelooft of voor gek verklaart. Ik zal het mezelf nooit vergeven als ik het niet probeer. Op mijn mobiele telefoon toets ik het nummer van de politieman met het Italiaanse uiterlijk in.

 

**

 

Op een willekeurige ochtend wordt het hotel City Garden opgeschrikt door een stuk of vijftien politieagenten die gewapend het hotel binnen komen lopen. Mijn moeder, Albert, Dimitri en ik zijn met het politieteam mee. Het is ’s ochtends vroeg en alle gasten slapen nog. De receptionist schrikt van de inval maar herstelt zich snel. Hij protesteert als de agenten het bevel geven dat alle hotelkamers doorzocht moeten worden. De receptionist probeert de privacy en de goede naam van het hotel te beschermen maar niemand luistert. De leider van het politieteam vertelt de receptionist met barse stem dat ze op zoek zijn naar een klein meisje dat vijf jaar oud en ontvoerd is. De receptionist kan niet anders dan met lede ogen toezien hoe alle honderd veertig kamers één voor één grondig binnenstebuiten gekeerd worden.

Wij blijven achter in de hotellobby en wachten in spanning af. Mijn moeder kan niet stilstaan en loopt rondjes van de receptie naar de uitgang en weer terug. Albert volgt haar en probeert haar met lieve woordjes te sussen. Dimitri leunt tegen de balie van de receptie en kijkt stuurs voor zich uit zonder een woord te zeggen. Het enige wat ik kan doen is doodstil staan en staren naar het dikke tapijt op de vloer dat ik in mijn dromen gezien heb. Ik durf niet meer naar de uitgang te kijken omdat die er precies hetzelfde uitziet als afgelopen nacht. Hoe is dat mogelijk?

Het politieteam kruipt verdieping na verdieping omhoog totdat een van de politieagenten een kamer ingaat waar een klein meisje voor de TV tekenfilms kijkt.

Het is een jonge politieagent die pas sinds een paar maanden bij het team hoort. Hij schrikt als hij een lange donkere man door het hotelraam ziet verdwijnen. Wat te doen als de dader via het raam verdwijnt? Daarover heeft hij nog geen oefening gehad. Het kleine meisje voor de TV kijkt met grote ogen naar het tafereel, opeens niet meer geïnteresseerd in de tekenfilms. Ze ziet hoe de donkere man door het raam verdwijnt terwijl de jonge politieagent bij zinnen komt en via zijn mobilofoon in paniek tegen zijn collega´s roept dat de dader er vandoor gaat.

Ik zie een stuk of vijf politieagenten naar buiten rennen, de parkeerplaats op. Ze praten in de mobilofoon die ze bij zich hebben en ik ren achter hen aan. Buiten op de parkeerplaats stoppen de agenten en ik draai me om, om te zien waar zij naar kijken.

Vanaf daar zien we hoe een lange donkere man van de vijfde verdieping naar beneden zweeft, in zijn regenjas die klappert in de wind, en plots snel de grond raakt. Eén van de politieagenten belt de ambulance en de rest rent op de man af, die op zijn buik op de harde parkeerplaats ligt. Over zijn gezicht lopen meerdere straaltjes bloed maar hij is niet bewusteloos. Zijn linkerbeen

ligt in een rare knik en lijkt totaal niet meer bij het lichaam te horen. Hoewel een paar politieagenten mij proberen tegen te houden wil ik het gezicht zien van de man die mijn kleine zusje heeft ontvoerd. Ik zie de rimpels in zijn gezicht en droevige bruine ogen. Hij heeft lange wimpers met grove wenkbrauwen erboven. Hij is misschien een jaar of veertig. Ondanks zijn verwondingen probeert de man iets te zeggen en dan in een opwelling van kracht roept hij iets. Ik versta hem niet maar hij blijft het herhalen. ‘Waar waren jullie toen mijn dochter ontvoerd en vermoord werd? Waar waren jullie toen hij haar ontvoerde? Waar was de politie toen?’

Zijn handen worden voor de zekerheid op zijn rug met handboeien vastgemaakt.

 

Ik kijk ernaar en besef dan dat mijn zusje gered is. In een sprint ben ik weer in de hotellobby. Mijn familie omhelst een klein mensje met donkere krullen en lichtblauwe ogen. Mijn hele lichaam begint te trillen en ik kan nauwelijks nog lopen maar de opluchting is heerlijk. De hotellobby lijkt een stuk lichter en gezelliger, niet meer zo vreemd als ervoor. Sara lijkt overweldigd door alle aandacht maar lacht naar me als ze me ziet. Ik omhels haar en voel haar mollige armpjes om mijn nek.

‘Waarom huil je?’ vraagt ze me verbaasd en ik lach.

‘Gewoon, daarom.’

Ik kijk op en zie dat Dimitri, mijn moeder en Albert elkaar vasthouden, net zo opgelucht en doodmoe als ik.

‘Hoe wist je dat ze hier was Laura?’ vraagt Dimitri mij. Ik haal mijn schouders op.

‘Geen idee, maakt dat nog wat uit?’

Hij schudt zijn hoofd en ik knuffel Sara nog een keer zo hard als ik kan.

 

Mijn moeder kan Sara niet meer loslaten en met haar in haar armen maken we aanstalten om het vreemde hotel te verlaten. Dan zie ik dat er iemand in de hotellounge zit waar men in mijn dromen whisky in rinkelende glazen dronk. Een eigenaardige vrouw zit daar, ze zwaait en wenkt me. Ik kan het niet geloven en durf bijna geen stap te zetten. Van dichtbij lijkt ze niet meer op mijn oma, de haviksneus en dunne lippen zijn verdwenen, maar ze draagt wel nog steeds haar jaren vijftig jurk.

‘Ik zie dat uw zusje is gevonden mevrouw Laura,’ zegt ze glimlachend tegen me.

Ik knik sprakeloos, hoe kan dit? Ze lijkt mijn gedachten te kunnen lezen en geeft mij een kaartje.

‘Bel mij eens Laura. Dan praten we verder.’

Op het kaartje in mijn handen staat alleen een telefoon nummer. Ik weet nog steeds niet wat ik moet zeggen.

Dan glimlacht Antoinette en wuift met haar gehandschoende hand. ‘Nou hup ga naar je zusje. Geniet ervan dat het goed afgelopen is. Wij spreken elkaar nog wel.’

Ik draai me om en voeg mij bij mijn familie. Ze kijken mij onderzoekend aan.

‘Wie was die vrouw?’ vraagt mijn moeder me.

‘Ik heb geen idee,’ antwoord ik haar in alle eerlijkheid.