Zomer in de stad

Ik wil niet dat de zomer eindigt.
Obsessief verzamel ik momenten voor
de lange winternachten;
garend vlees in marinadebadje,
zachtjes zoenen we in het gras,
ratelende wielen op de grachten,
jouw haren vielen over je ogen en wat was je prachtig
en ga zo maar door.

De straatstenen fluisteren me:
´hij zal bij je weggaan als de zon stopt met schijnen.´
Het asfalt glibbert waarschuwend onder mijn voeten:
´pas op, laat het voor altijd zomer blijven.´

Ik wil niet dat de zomer eindigt.
Zwetende stoeltjes zitten zo zacht,
zwiepende luifels in onweersbuien en we
lallen tot diep in de nacht.
Zwalkend over de grachten in korte broek,
we bezingen het leven tot ´s morgens vroeg.
Laten we het lot niet tarten en verder leven
in de zomerhitte.